De Bedelingen

De Bijbel verdeelt de tijd vanaf de schepping van Adam tot heden in zes ongelijke perioden, gewoonlijk “bedelingen” genoemd.

Een bedeling is een periode van tijd, waarin God Zich op een bijzondere wijze bezighoudt met mensen in betrekking tot de zonde en de verantwoordelijkheid van de mens.
Elke bedeling kan worden gezien als een nieuwe toetssteen voor de natuurlijke mens en elke bedeling eindigt in oordeel, hetgeen des mensen volkomen falen en onmacht laat zien.
Vijf van deze bedelingen zijn reeds geweest. Wij leven nu in de zesde bedeling en gezien de tekenen der tijden, aan het einde daarvan.

Hierna komt nog een zevende bedeling, het Duizendjarig Rijk.

  1. ONSCHULD
    Deze bedeling duurt van de schepping van Adam tot de verdrijving uit de hof van Eden.
    Adam werd geschapen in onschuld.
  2. GEWETEN
    Deze bedeling duurde van de val van Adam tot aan de zondvloed. Door de zondeval verkregen Adam en Eva en door hen de gehele mensheid, kennis van goed en kwaad, of een natuurlijk geweten.
  3. BESTUUR
    Deze bedeling duurde van de zondvloed tot aan de spraakverwarring van Babel.Nadat de wateren na de zondvloed opgedroogd waren, gaf God aan de mens de gereinigde aarde met voldoende macht, om deze te besturen. Deze bedeling wordt ook wel genoemd: die van de menselijke heerschappij.
  4. BELOFTE
    Deze bedeling begon bij de roeping van Abram uit ur der Chaldeeën en eindigde bij de wetgeving op Sinaï. Uit de verstrooide nakomelingen van de torenbouwers, roept God één man, Abram, met wie Hij een verbond sluit.
  5. DE WET
    Deze bedeling begon bij Sinaï en eindigde
    bij Golgotha. Op de Sinaï bood God Zijn volk de wet aan.
  6. GENADE
    De bedeling ving aan bij de offerdood van de Here Jezus Christus en de laatste gebeurtenis in deze bedeling is de “opname der gemeente”(1 Thess. 4:16).
1 HOF VAN EDEN 2 VOOR DE ZONDVLOED 3 NA DE ZONDVLOED
ONSCHULD GEWETEN BESTUUR
BEVEL Niet eten van de boom der kennis van goed en kwaad

Gen. 2:17

Door de kennis van goed en kwaad ontwaakt het geweten

Gen. 4:7

Wordt talrijk en vervult de aarde

Gen. 9:1-7

FALEN De mens at van de boom

Gen. 3:6

De aarde was verdorven

Gen. 6:11

Laten wij ons een naam maken, opdat wij niet over de gehele aarde verstrooid worden

Gen. 11:4

OORDEEL Uitdrijving uit het Paradijs

Gen. 3:24

De zondvloed

Gen. 7:11-24

Spraakverwarring en verstrooiing over de gehele aard

Gen. 11:7,8

4 PATRIARCHALE TIJD 5
Van MOZES tot GOLGOTHA
6
Van GOLGOTHA tot HEDEN
BELOFTE DE WET GENADE
BEVEL Trek niet naar Egypte,…….
vertoef in dit landGen.26:2-3
Verbond bewaren

Ex. 19:5-6

Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven

Joh. 3:36

FALEN Jacob en zijn gezin gaan vanuit Kanaän naar Egypte

Gen. 47:1

Israël had al de geboden van de Here, hun God verlaten

2Kon. 17:1-17

Zoals het was in de dagen van Noach

[door Jezus zelf voorzegd]

Matth. 24:37-39

OORDEEL Slavernij in Egypte

Ex. 1:8-14

verstrooiing, ballingschap, ondergang van het rijk
“Tijden der heidenen” vangt aan2Kron. 36:17. Luk. 21:24
De Here zal de wetteloze doden en machteloos maken door Zijn komst.

2 Thess. 2:8

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Help

WordPress theme: Kippis 1.15