De Engelen

OVER ENGELEN IN HET ALGEMEEN

In de zesenzestig boeken van de Bijbel wordt bijna drie­honderdmaal over engelen gesproken. In het enkelvoud komt het woord „engel” tweehonderdmaal voor, ongeveer gelijk verdeeld over het Oude en het Nieuwe Testament. In het meervoud lezen wij circa honderdmaal over engelen. Engelen behoren tot een groep bovennatuurlijke, geestelijke wezens, waarbij men aan verschillende rangen zal moeten denken. Behalve over engelen, spreekt de Bijbel meer dan zestig maal over „cherubs”, die in de strikte zin van het woord géén engelen zijn, want er wordt voor deze wezens een geheel ander woord gebruikt. Deze cherubs, die nauw verwant zijn aan de serafs (zie Jesaja 6 ) zijn geestelijke wezens, die volgens de Schrift gewoonlijk nauw betrokken zijn bij de bewaking en bescherming van de heilige troon van God. Het is mogelijk, dat satan vóór zijn val tot een van deze voorname wezens heeft behoord.

De identiteit van cherubs en serafs is gehuld in een zekere geheimzinnigheid, zodat wij maar weinig bijzonderheden van hen kennen. Dat is niet het geval met de engelen Gods. De mededelingen over hen zijn duidelijk en de Bijbel vertelt heel wat over hun oorsprong, hun natuur en hun arbeid. Ze behoren tot een bepaalde speciale groep van geschapen wezens, voor het menselijk ook gewoonlijk onzichtbaar. De hemel is hun woonplaats maar hun dienst verrichten zij voor een groot deel op aarde.

Hun aantal is zeer groot en zij gaan voortdurend van de hemel naar de aarde en van de aarde naar de hemel als boodschappers van God. Of zij ook op andere planeten leven, zoals weleens beweerd wordt, weten wij niet, maar zij zijn bij de uitoefening van hun taak niet noodzakelijk beperkt tot deze aarde.

HET GELOOF IN HET BESTAAN VAN ENGELEN IS BELANGRIJK

Geloof in het bestaan van engelen gaat hand in hand met het geloof in de Bijbel, want dit boek is vol van authentieke gegevens over het werkelijk, letterlijk bestaan van engelen als personen. Toch heerst er onder de christenen een tragische, wijd verspreide onwetendheid over wat de Bijbel ons over engelen leert. Gevolg hiervan is, dat de gemiddelde gelovige een totaal verkeerde voorstelling heeft van deze geestelijke wezens. Allerlei bijgelovige dingen zijn hiervan het resultaat.

Wij hopen met de uitgifte van dit boekje, waarin wij de bijbelse gegevens over engelen zullen behandelen, ertoe bij te dragen, dat twijfel over het bestaan van engelen èn alle misverstand over het wezen en de dienst der engelen, zul­len verdwijnen.

Gelukkig gebruikt de Hebreeuwse en de Griekse tekst slechts één woord om „engelen” aan te duiden. Het Hebreeuwse woord is „malak”. De betekenis hiervan is „gezondene” of „boodschapper”. Het woord komt ruim honderdmaal in het Oude Testament voor.

Het Griekse woord is „angelos”. In het Nieuwe Testament komt dit woord ruim honderdzestig maal voor en betekent eveneens „bode” of „boodschapper”. Dit verschaft ons het fundamentele begrip over deze wezens. Zij zijn Gods die­naren, die tot taak hebben boodschappen over te brengen naar de aarde. De eerste verschijning van een engel lezen wij in Genesis 16:7. Hagar, Abrahams „vrouw”, was door haar meesteres Saraï weggezonden. Maar God zond een engel om Hagar te zeggen, dat zij terug moest keren naar haar meesteres. In dit verhaal staat, dat de engel WAS GEZONDEN MET EEN BOODSCHAP VAN GOD.

In de Bijbel wordt voor het laatst over engelen gesproken in Openbaring 22:16:

„Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om ulieden dit te betuigen voor de gemeenten”.

Hier lezen wij dus, dat de engel de boodschapper is van Je­zus Christus. Onthoud deze bijzonderheid over engelen dus goed. Het zal u beter helpen begrijpen, dat, als er in de Bijbel over engelen wordt gesproken, het over boodschappers van God gaat.

DE OORSPRONG VAN DE ENGELEN

De volgende vraag die wij stellen is: „Wat is de oorsprong van de engelen?” De Bijbel vertelt ons, dat engelen geschapen wezens zijn. Maar ons wordt niet verteld, wanneer dat geschiedde. Wel is ons duidelijk, dat zij de eerste wezens waren, die door God werden geschapen. Zij waren er zelfs al, toen de wereld geschapen werd.

In het boek Job wordt ons meegedeeld dat de engelen aan­wezig waren, toen God de wereld tot aanzijn riep. God berispt Job in het 38ste hoofdstuk:

„Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? Vertel het, indien gij inzicht hebt!

Wie heeft haar afmetingen bepaald?

Gij weet het immers!

Of wie heeft over haar het meetsnoer gespannen? Waarop zijn haar pijlers neergelaten,

Of wie heeft haar hoeksteen gelegd,

terwijl de morgensterren tezamen juichten,

en al de zonen Gods jubelden?” (Job 38:4-7).

Met de hier door God genoemde „morgensterren” worden, naar men algemeen aanvaardt, engelen bedoeld. De „zonen Gods”, die juichten van vreugde heeft betrekking op de engelen. In het eerste en tweede hoofdstuk van Job ver­schenen de zonen Gods voor de Here, en ons wordt verteld, dat satan zelf als lid van de hemelse legerscharen één van hen was. We kennen slechts de namen van twee niet-gevallen engelen: Gabriël en Michaël, de aartsengel. De aartsengel Michaël schijnt in het bijzonder belast te zijn met de bescherming van het volk Israël, terwijl aan Gabriël boodschappen zijn toevertrouwd met betrekking tot de geboorte en de arbeid van de Here Jezus.

HUN AANTAL

In de Bijbel lezen wij, dat het aantal engelen zeer groot is, hoewel zij niet trouwen en dus zichzelf niet vermenigvuldigen. Engelen worden niet geboren en zijn waarschijnlijk allen op hetzelfde ogenblik, in den beginne, geschapen. Als Daniël spreekt over de hemelse legermachten van engelen, zegt hij over de Here:

„Een stroom van vuur welde op en vloeide voor Hem uit; duizend maal duizenden dienden Hem en tienduizend maal tienduizenden stonden vóór Hem”. (Daniël 7:10).

Hier is een eenvoudige onmiskenbare aanwijzing, dat het aantal engelen in de hemel in ontelbare miljoenen loopt. In het Hebreeuws heeft men geen woord voor „miljoen”, maar inplaats daarvan drukt men dit aantal uit door te zeggen: „duizend maal duizend (dat is een miljoen), en tienduizend maal tienduizend (d.i. honderd miljoen).” In Openbaring 5:11 lezen wij, dat het aantal engelen rondom Gods troon al was:

„…tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizend­tallen”.

Maar behalve de engelen die in de direkte nabijheid van de troon van God staan, zijn er nog veel meer.

De schrijver van de Hebreeënbrief zegt, dat wij:

„…zijn genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen” (Hebreeën 12:22).

In 2 Koningen 19:31; Jesaja 9:6 en 37:32, vinden wij de uitdrukking ,Here der heerscharen”. Dit „heerscharen” heeft betrekking op de hemelse engelenlegers. Hoewel deze myriaden engelen in vele opzichten verschillen wat hun in­dividuele taak en plicht betreft, is er toch een grote mate van eenheid onder hen. Zij hebben veel dingen gemeen. Zij zijn allen heilige, zondeloze wezens. (Wij hebben het hier natuurlijk niet over de gevallen engelen). Zij zijn machtig en beschikken over bovenmenselijke kracht. Het is geen lichamelijke, maar geestelijke kracht.

Het zijn niet de spieren die een mens sterk maken, maar de zenuwprikkels aktiveren de spieren. Stel u een geweldig gespierde man voor, zodra echter de geest dat lichaam ver­laat, houdt men een machteloze, logge massa over. Hieruit zien wij, dat kracht niet iets lichamelijks, maar iets geestelijke is. Engelen van God, die niet gehinderd worden door een natuurlijk lichaam, zijn geweldig sterk.

In 2 Thessalonicenzen 1:7 wordt van de engelen, die Chris­tus bij Zijn tweede komst zullen vergezellen, gezegd, dat zij de „engelen Zijner kracht” zijn. In psalm 103 zegt David:

„Looft den Here, gij zijn engelen, gij krachtige helden…”

Engelen overtreffen de mensen verre in kracht. Eén engel sloeg en doodde 185.000 Assyriërs, die vijanden van Israël waren. -2. Koningen 19:35. Eén engel rolde de steen van het graf, Matth. 28:2. In Openbaring 20 bindt één engel de draak, dat is satan, met een sterke ketting en werpt hem in de afgrond. Het was een engel, die de deur van de gevangenis opende om de Apostelen te bevrijden. Handelingen 5:19.

EEN DIENENDE TAAK

Wat is het een troost en zekerheid, als we weten dat er een engelenmacht is, die God tot onze beschikking heeft gesteld om ons te bewaren, te beschermen en te bevrijden. Daarom schijnen de voornaamste funkties van de engelen te zijn: Gods bevelen aan Zijn kinderen hier op aarde over te brengen. In de hemel schijnt het hun taak te zijn om God te prijzen en gereed te zijn om Zijn wensen aan de gelovi­gen op aarde over te brengen. In Lucas 16 lezen wij over de dood van Lazarus. Uit deze geschiedenis blijkt, dat de engelen ook belast zijn met de veilige aankomst in de hemel van de gelovigen ná hun dood.

Omdat engelen nauw betrokken zijn bij de geboorte van Gods dienstknechten (Richteren 13:1-24; Lucas 1:13) en ons door het hele leven vergezellen om ons vervolgens aan het einde van de levensweg nabij te blijven tot in het Vaderhuis, kunnen wij rustig met David zeggen:

„Hij leidt mij in de rechte sporen

om Zijns Naams wil.

Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis

ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij”.

(Psalm 23:3 en 4 ).

Hierin is, overeenkomstig de Schriften, voorzien door de engelen, die Gods dienende geesten zijn.

VERSCHILLENDE RANGEN

De engelen van God hebben niet allemaal dezelfde taak of hetzelfde werk te volbrengen. Men onderscheidt bij hen verschillende rangen en groepen, die ieder hun afzonderlijke taak hebben. Ook de individuele engelen hebben elk hun eigen werk te doen. Ofschoon onzichtbaar voor het lichamelijk oog, verschillen zij toch onderling van elkaar. Over deze groepen engelen zijn leiders aangesteld. Voordat satan viel, was hij een vooraanstaand leider van een grote groep engelen. Hij heette Morgenster of Lucifer.

Toen hij opstond tegen God, stond een groot aantal engelen van lagere rang met hem op, en veranderden hierdoor in demonen. Die gevallen engelen staan ook weer onder bevel van machtige leiders. In Openbaring 9 wordt verteld over een grote legermacht van deze demonen, over wie ook een koning is aangesteld:

„Zij hadden over zich als koning de engel van de afgrond; zijn naam is in het Hebreeuws Abáddon en in het Grieks heeft hij tot naam Apóllyon”. ( Openbaring 9:11)

Op dezelfde wijze maakt de Bijbel ons bekend met de hei­lige, hemelse legerscharen van engelen, die aktief op aarde werkzaam zijn. Hun leiders hebben bepaalde taken te vervullen en hebben speciale gebieden voor hun werkzaamheden. Elk lid van die hemelse legermacht kent zijn plaats, werk en dienst. Paulus schrijft over deze hemelse legerscharen:

„Want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn d66r Hem en tot Hem geschapen”. (Colossenzen 1:16)

Paulus maakt hier onderscheid tussen wat in de hemel en en wat op aarde is. De aardse dingen zijn zichtbaar, de hemelse zijn onzichtbaar. Ze worden geclassificeerd in tronen, heerschappijen, overheden en machten. En deze onzichtbare, goed georganiseerde groepen engelen staan ons nu ten dienste. Immers de schrijver van de Hebreeën zegt:

„Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen, die het heil zullen beerven? (Hebreeën 1:14).

Engelen worden Gods dienaren genoemd (Hebreeën 1:7). Zij worden in deze tekst vergeleken met een vuurvlam. Vuur geeft licht aan de gelovigen, vuur brengt oordeel over de zondaars, vuur verwarmt de gelovigen en verteert hen, die Christus verwerpen.

Nu wij aan het einde van dit eerste hoofdstuk zijn gekomen, willen wij nog eens herhalen, dat de engelen niet alleen Gods dienaren zijn ten dienste der gelovigen, maar dat zij ook door God worden gebruikt om Zijn toom over de zondaren uit te voeren. Het was een engel, die alle eerstgeborenen in Egypte doodde, omdat ze geen bloed aan de deurposten en aan de bovendorpel hadden aangebracht (zie Exodus 12:23,). Die engel werd de verderver genoemd. Het was een engel, die koning Herodes sloeg; hij werd door de wormen gegeten omdat hij God niet erkende (Handelingen 12:23).

Tenslotte: iedereen zal engelen in zijn gezelschap hebben op weg naar de eeuwigheid. Degenen die de Here Jezus als Heiland hebben aanvaard, zullen voor altijd worden begeleid door Gods heilige engelen, tot in de „stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem en… de ontelbare menigte engelen” (Hebreeën 12:22). Ook degenen die verloren gaan zullen de eeuwigheid temidden van engelen doorbrengen nl. de gevallen engelen, de demonen! Maar wat een verschil! Over de verlorenen hoor ik de Heiland zeggen:

„Ga weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige

vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. Deze zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven” (Mattheus 25:41 en 46).

Je kunt niet aan de engelen ontkomen! Wat zal het voor u zijn? Eeuwige blijheid in de hemel met de engelen, óf een eeuwig wee in de hel met de duivel en zijn demonen? Als u nu een beslissing neemt, dan bepaalt u uw verblijfplaats daar: het is of het één of het ander.

„Geloof in de Here Jezus Christus en gij zult behouden worden” (Handelingen 16:31).

TAAK VAN DE ENGELEN VOOR DE GELOVIGEN

Hoewel wij ze met onze lichamelijke ogen niet kunnen zien, bevinden zich in de atmosfeer rondom ons myriaden geschapen, geestelijke wezens, die wij engelen noemen. Het zijn boodschappers van God. Zij omringen ons altijd. Deze machtige dienaren worden door God gezonden om Zijn kinderen overal en altijd te helpen (Hebreeën 1:14). Zij brengen hen ook thuis, als hun loopbaan op aarde ten einde is (Lucas 16:22).

Volgens de Bijbel wonen deze engelen in de hemel en omringen de troon van God, waar ze op Gods bevelen wachten. Voortdurend reizen ze heen en weer tussen hemel en aarde om Gods plan en bedoeling uit te voeren. God zond een engel om Hagar in de woestijn te beschermen. Hij zond op het juiste ogenblik een engel om Abraham ervan te weerhouden zijn zoon Isak te offeren. De Heer zond een engel, die de knecht van Abraham vergezelde, toen hij een vrouw voor Isak moest zoeken. God zond een speciale engel, die in de woestijn voor de kinderen Israëls uit ging.

Uit deze en vele andere bijbelgedeelten blijkt, dat aan een bepaalde groep engelen de taak is opgedragen om Gods kinderen op hun reis door dit leven te begeleiden. Het was een engel, die Abrahams knecht naar Rebekka leidde, maar het was ook een engel, die het pad van Bileam blokkeerde, toen hij op de verkeerde weg was.

ENGELEN EN BABIES

Een andere taak van de engelen is hun zorg voor babies. God schijnt engelen te hebben, die een speciale taak hebben, met betrekking tot de geboorte van kinderen. Het was een engel, die Hagar vertelde, dat zij een zoon zou krijgen en haar zeide, hoe ze hem moest noemen. Het was een engel, die tot Manoah en zijn vrouw, de ouders van Simson sprak. Hij gaf haar nauwkeurige aanwijzingen over hetgeen ze moest eten en drinken gedurende haar zwangerschap (Richteren 13:13 en 14 ). De geboorte van Johannes de Doper werd aangekondigd door een engel en ook bij hem werd de naam reeds vóór zijn geboorte aangegeven.

Wij weten, hoe een engel de geboorte van de Here Jezus aankondigde en ook hier werden aanwijzingen gegeven voor Zijn naam. Het was de speciale engel der aankondiging, Gabriël, die zeide:

„Zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven” (Lucas 1:31).

Hoewel engelen niet trouwen noch zich voortplanten, zijn ze niettemin zeer geïnteresseerd in kinderen. Zij schijnen voor kinderen speciale diensten te verrichten. De Here Jezus zegt met betrekking tot kleine kinderen:

„… Ik zeg u, dat hun engelen in de hemelen voortdurend het aangezicht zien van Mijn Vader, Die in de hemelen is”

(Mattheus 18:10).

GEHEIMZINNIGE WEZENS

Omdat engelen voor menselijke ogen gewoonlijk onzicht­baar zijn, zijn ze in een waas van geheimzinnigheid gehuld. De Bijbel, de enige bron waaruit wij onze kennis kunnen putten, zegt er betrekkelijk weinig van. Daar wij niet zoveel weten over de engelen van God, zijn er een groot aantal verzinsels ontstaan. Hierdoor hebben velen een volkomen vertekend beeld van de engelen. Daarom menen wij, dat het aanbeveling verdient te proberen deze misvattingen weg te nemen.

Het eerste waarvoor wij uw aandacht vragen is, het geslacht van engelen. Over engelen wordt altijd gesproken alsof het mannen zijn en nooit worden ze aangeduid als vrouwen. Als zij in mensengedaante verschijnen dan is het altijd als mannen. Er zijn geen vrouwelijke engelen. Toch schilderen kunstenaars de engelen met iets vrouwelijks in hun gelaat. Omdat engelen niet trouwen betekent dit echter niet, dat zij geslachtloos zouden zijn. Alle engelen zijn mannelijk, bijgevolg is een huwelijk onmogelijk. Maar dit houdt absoluut niet in, dat deze bovennatuurlijke wezens noodzakelijk geslachtloos zouden zijn. Van de gevallen engelen wordt gezegd, dat „zij zich hebben overgegeven aan hoererij en vreemd vlees zijn achterna gegaan” ( Judas 6 en 7 ). Dit is klaarblijkelijk een verwijzing naar de gevallen engelen uit Genesis 6, waar wij lezen, dat de „zonen Gods” (gevallen engelen) trouwden met de dochters van de mensen en dat daardoor werd voortgebracht een ras van monsterachtige wezens, half mens, half demon. De mening dat engelen geslachtloos zouden zijn, wordt gebaseerd op twee teksten, namelijk op MattheUs 22:30 en op Marcus 12:25.

IN DE HEMEL NIET GESLACHTLOOS

De Here Jezus zegt in deze beide Schriftgedeelten, dat wij in de hemel aan de engelen gelijk zullen zijn, dat wil zeggen, dat daar geen huwelijk zal wezen:

„Immers in de opstanding huwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zullen zijn als engelen in de hemel” (Mattheus 22:30 ).

Deze tekst heeft in geen enkel opzicht iets te maken met het geslacht van de engelen. Het zegt ons niets over het geslacht van de engelen, noch over dat van de opgestane gelovigen. Wat de Here Jezus zegt, gaat over het feit, dat in de opstanding mannen en vrouwen niet trouwen, zoals ook de engelen niet trouwen. Betekent dit, dat we met ons opstandingslichaam geslachtloos zouden zijn? Welnee, we zullen nog steeds mannen en vrouwen zijn, zoals God ons in den beginne schiep, maar er zal geen huwelijk meer zijn. Wij zullen onze persoonlijkheid niet kwijt raken, wanneer we naar de hemel gaan, maar wij zullen zondeloze, volmaakte persoonlijkheden zijn.

Evenmin betekent de uitspraak van de Here Jezus, dat wij „als de engelen in de hemel” zullen zijn, DAT WIJ ENGELEN ZULLEN ZIJN. Wij zullen geen geesten zonder lichaam zijn, maar herrezen gelovigen, met verheerlijkte, zichtbare, tastbare lichamen, precies zoals het lichaam van de Here Jezus was ná Zijn opstanding (Philippenzen 3:21 ). Wij zullen ALS de engelen zijn in deze zin, dat we niet trouwen noch ten huwelijk worden gegeven. Voordat u nu weer gaat beweren, dat engelen geslachtloos zijn, probeert u dan eerst eens voor uzelf een verklaring te vinden, hoe zij tot het plegen van hoererij konden komen en vreemd vlees achterna konden gaan ( Judas vers 6 en 7). Hoe gemakkelijk houden wij vast aan eenmaal gevestigde indrukken.

Als gevolg van het feit, dat de heilige engelen van God niet trouwen, omdat alle engelen mannelijk zijn, neemt het aa­tal engelen niet toe. Er is dus geen vermeerdering van engelen. Allen werden geschapen; zij zijn niet geboren. Als alle engelen tegelijkertijd zijn geschapen, dan zijn alle engelen even oud. Er zijn echter een aantal heilige engelen van God afgevallen, want velen van hen stonden tegen God op en werden uit de tegenwoordigheid van God verbannen en bestemd voor de eeuwige hel. Er is dus GEEN TOENAME van engelen.

Omdat engelen niet trouwen, zijn er ook geen babyengelen. Die vrolijke Kerstkaarten met kleine babyengelen vliegend over de kribbe vinden geen enkele grond in de Bijbel. Er is zelfs geen enkel bewijs te vinden, dat er engelen in de stal waren. Toch staan op heel wat schilderijen niet slechts engelen met vrouwengezichten, maar ook ontelbare engelen in kindergedaante.

Ook lezen wij niet, dat de engelen vleugels hebben waarmee ze vliegen. De cherubs en de serafs hebben vleugels, maar zij behoren tot een geheel andere groep van geestelijke wezens. Hoe het ook moge zijn, het maakt in werkelijkheid geen verschil en het geeft geen enkele grond om te geloven, dat wij in de hemel vleugels zullen hebben! Dit bijgeloof spruit voort uit de gedachte, dat wij daar engelen zullen zijn, maar daar is geen woord van waar. Van zeer vrome mensen wordt wel eens gezegd: „Hij is al bezig zich vleugels aan te meten”. Dwaasheid! We zullen geen vleugels nodig hebben bij onze verheerlijkte lichamen, evenmin als de Here Jezus vleugels nodig had om naar de hemel op te varen. Inplaats van engelen te zijn, zullen wij de engelen oordelen! (1 Corinthe 6:3 ). De engelen zelf zijn onze dienaren (Hebreeën 1:14). Wij zullen de Here Jezus vergezellen als Hij komt om de „uitverkorenen te verzamelen” uit de vier windstreken der aarde (Mattheus 24:31). De engelen Gods worden „zonen Gods” genoemd in Job 38:7. Wij worden „kinderen Gods” genoemd ( Johannes 1:12; Romeinen 8:14; 1 Johannes 3:1 en 2). Doch er is een groot verschil. De engelen zijn door hun schepping „zonen Gods”. Wij zijn „kinderen Gods” door een tweede geboorte, en werden zó een nieuwe schepping. Beide groepen behoren echter tot Gods huisgezin. Wat een heerlijk vooruitzicht wacht Gods kinderen. Als wij met verloste lichamen zullen zitten aan Zijn tafel, dan zullen Gods heilige engelen ons bedienen. Als uw leven soms droevig en eenzaam schijnt en uw werk voor de Heer zo zonder vrucht, vraag dan aan God u de ogen te openen voor de heerlijke, wondervolle toekomst, die u wacht. Als wij de hemelse legerscharen die ons omringen konden zien, die ons helpen om Gods doel in ons leven te volvoeren, wel, dan zouden wij weer moed vatten.

In 2 Koningen 6 staat, dat Elisa zich met zijn knecht verborgen had in de stad Dothan. De koning van Syrië kwam met een groot leger naar deze open stad. ’s Nachts omsingelden ze Dothan en toen Elisa’s knecht ’s morgens om zich heen keek, zag hij een geweldig Syrisch leger, tot de tanden gewapend, klaar om de stad aan te vallen en hem en zijn meester gevangen te nemen. Toen hij die niet te tellen massa soldaten zag, dacht hij dat de situatie hopeloos was en hij riep tot zijn meester:

„Ach, mijnheer! Wat moeten wij doen?” (2 Kon. 6:15)

Let nu op het vreemde antwoord van de profeet:

„Vrees niet, want zij die bij ons zijn, zijn talrijker dan zij, die bij hen zijn” (2 Koningen 6:16).

Elisa’s knecht keek, maar zag slechts de legermacht van de Syriërs. Toen bad Elisa en zei:

„Here, open toch zijn ogen, opdat hij zie. En de Here opende de ogen van de knecht en hij zag en zie, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa. (2 Koningen 6:17)

Ja, konden wij de hemelse legerscharen ook maar zien aan wie God orders heeft gegeven om Zijn kinderen te beschermen, en die niet zullen toestaan, dat ons iets overkomt, behalve de dingen, die goed voor ons zijn. Dan zouden we nieuwe moed vatten. Dit moet David hebben bedoeld, toen hij zei:

„De Engel des Heren legert Zich rondom wie Hem vrezen, en redt hen”. (Psalm 34:8).

Dit betekent niet, dat wij in ons leven nooit moeilijkheden zullen hebben of beproefd zullen worden. Evenmin zullen ons lijden en verzoeking worden gespaard. Integendeel, de Heer heeft beloofd:

„In de wereld zult gij verdrukking hebben” ( Johannes 16: 33). Maar alles wat ons overkomt, geschiedt onder Gods toelating en heeft een doel, zodat „alle dingen medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben” (Romeinen 8:28). ALLE DINGEN, dat sluit in zowel tegenspoed als voorspoed; ziekte zowel als gezondheid, DOOD zowel als LEVEN. En God heeft een engel, d.w.z. een beschermengel, opdracht gegeven om erop toe te zien, dat deze bedoeling voor ons welzijn wordt bereikt. Let u er goed op, dat Psalm 34:8 niet zegt, dat wij voor moeite zullen worden gespaard, maar dat wij eruit zullen worden bevrijd. De Bijbel zegt niet: „Ik zal u voor moeite bewaren”, maar er staat wel:

„Roept hij Mij aan, Ik zal hem antwoorden; Ik zal in de benauwdheid bij hem zijn, Ik zal hem uitredden en tot ere brengen” (Psalm 91:15).

Dit betekent niet, dat wij bevrijd zullen worden van moei­ten, die er NU zijn, maar dat wij uiteindelijk voor alle eeuwigheid zullen worden gered uit de duisternis van de hel. Denk aan de bestemming der goddelozen. Zij komen, zoals de Here Jezus zegt, in een plaats van eeuwige rampzaligheid, waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgedoofd; waar de verlorenen hun tongen zullen kauwen en hun tanden zullen knarsen in een poel van vuur, die bereid is voor de duivel en zijn engelen! Denk daar eens over na, kind van God, dat zo moet lijden. Als uw levenspad moeilijk schijnt en donker, en er geen spoor van uitkomst te zien lijkt, denk dan aan datgene, waarvan u voor eeuwig gered bent. Herinner u Zijn belofte, dat, hoe zwaar uw last ook is, Hij u niet zal verlaten.

„Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij er tegen bestand zijt” (1 Corinthe 10:13) .

Let op de laatste zin: „zodat gij er tegen bestand zijt”. Het is geen ontvluchten, MAAR een in staat zijn het te dragen. Hij zal Zijn engel zenden om toe te zien, dat u er DOOR ZULT KOMEN. Vat moed, kind van God. Er is geen over­winning zonder strijd, geen kroon zonder kruis, geen beloning voor overwinnaars zonder iets, dat men overwonnen heeft.

Moge God u de ogen openen om de bergen te zien, die vol zijn met paarden en wagens om Zijn kinderen te verdedigen. Zie uit naar de toekomstige beloning, want als u geduldig lijdt voor Christus, zult u in staat zijn om met Paulus te zeggen:

„Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons “geopenbaard zal worden” (Romeinen 8:18 ).

Worden sommige van de ontelbare planeten in het heelal bewoond door levende wezens? Is er leven op Mars, Jupiter of Venus? Kunnen wij ons voorstellen, dat God de myriaden hemellichamen gemaakt heeft als kille, levenloze logge massa’s materie?

Menselijk begrip en verstand zeggen: Neen! Maar waarom spreekt de Bijbel niet over deze dingen? Waar is de hemel? Waar wonen de engelen? Misschien zullen we eens een antwoord krijgen op deze vragen. De aarde is maar een heel kleine planeet, ruim twaalfeneenhalf duizend km in doorsnee. Onze naaste buur, de maan, staat een kleine 400.000 km van ons vandaan. Onze volgende buur is Mars, zo’n 60 miljoen km van ons af. Dan volgen er nog een aantal planeten op een afstand van vele miljoenen kilometers. Zie Het Bijbels wereldbeeld.

Zijn we dan aan de grens? Geen sprake van! Als we dan over afstanden gaan praten, hebben we er geen gewone getallen voor. Hoe ver wij ook kunnen zien, we ontdekken alleen maar sterren en nog eens sterren.

Boven dit alles is God en is de hemel. Al is het dan heel zwakjes, we kunnen Davids gevoelens enigszins begrijpen, als hij zegt: „Als ik Uw hemelen aanschouw, de maan, de sterren, die Gij bereid hebt, wat is de mens?”

(Psalm 8.4).

WAT IS DE MENS?

Luister naar de vraag van David: „Wat is de mens?” Hoe kwam David er bij dit te vragen? Wel, het was het resultaat van zijn opblikken naar de hemelen. Als hij aan die ontelbare planeten denkt, dan zegt hij bij zich zelf: „Wat is het toch geweldig dat God onder al die andere schepselen nog denkt aan de mens, die op een van de allerkleinste planeten van het heelal woont. Wat is de mens, dat God aan hem zou denken te midden van al die ontelbare legers in het onmetelijke heelal?” Laten wij ons afwenden van de vraag, of de mens al of niet het enige schepsel in dit heelal is. Laten wij niet meer piekeren over de vraag, of er ook op an­dere planeten leven mogelijk is. Laten wij ons liever bepalen bij het wonder, dat God belang in ons stelt.

Welke andere wezens er al of niet leven op andere planeten, wij weten, dat de mens naar Gods beeld werd geschapen Dat is de Here Jezus Christus, wij zijn Adamieten! Dat hij werd gemaakt tot speciaal voorwerp van Zijn liefde, en dat God de hemelse scharen der engelen ten dienste stelde van de aardbewoners.

Omdat de hemel BOVEN DE STERREN IS en daarom een plaats heeft buiten de grenzen van het heelal, moeten de engelen bij hun gaan van de hemel naar de aarde en omgekeerd al die ontelbare hemellichamen passeren. Om de boodschappen van God naar de mensen op aarde te brengen, moeten zij door al die hemelsferen heen. Onderbreken zij hun reis dan wel eens op een of andere ster? Wonen zij misschien daar ergens? Zijn daar ook wezens die ze moeten helpen?

Interessante vragen; al kunnen wij ze niet beantwoorden. Toch mogen we enkele dingen leren van hun heen en weer reizen tussen hemel en aarde.

ZE ZIJN SNEL

Eén ding is ons wel duidelijk, dat engelen zich verplaatsen met een snelheid, die groter is dan die van het licht.

De engelen, die Abraham ontmoette en die Lot uit Sodom leidden, kwamen rechtstreeks uit de hemel. Mozes ontving de tafelen der wet, die God met eigen vinger in de hemel had geschreven. Deze tafelen werden Mozes door engelen overhandigd ( Galaten 3:19).

Hoewel zij de wereldruimte in een oogwenk kunnen doorkruisen, kan toch hun snelheid worden verminderd en kunnen zij worden opgehouden.

In Daniël 10 werd de machtige engel, die naar Daniël onderweg was met een boodschap van God, opgehouden door een gevallen engel, die zich de vorst van Perzië noemde. Deze hield de eerstgenoemde engel tegen en belette hem 21 dagen om zijn bestemming te bereiken, totdat de aartsengel Michaël hem te hulp kwam (Daniël 10:13 ).

De engelen .zijn machtig, ze zijn echter niet almachtig. Zelfs Michaël, de aartsengel, was niet de gelijke van satan in de strijd om het lichaam van Mozes (zie Judas 9).

Engelen zijn buitengewoon wijs, maar zij zijn niet alwetend. Het bijeenvergaderen van de gemeente als bruid van Christus in deze bedeling, was voor de engelen een verrassing, een verborgenheid, waarin zelfs engelen begeren een blik te slaan (1 Petr. 1:12 ).

Omdat ze schepselen zijn, zijn al hun eigenschappen begrensd. Zij beschikken niet over bepaalde goddelijke eigen­schappen, die God Zelf bezit.

Wat hun kennis betreft, zijn zij net als wij, afhankelijk van de goddelijke openbaring. Zij begrijpen Gods reddingsplan niet en weten ook niet, zoals de Here Jezus Zelf zegt, de tijd van Zijn wederkomst (Matth. 24:36).

Hoewel de engelen ten tijde van Christus’ wederkomst buitengewoon aktief zullen zijn, weten zij over dat ogenblik niet meer dan wij.

Ook zijn engelen niet alomtegenwoordig. Zij kunnen net als alle schepselen slechts op één plaats tegelijk zijn. Het is zelfs voor de duivel onmogelijk om op twee plaatsen tegelijk te zijn. Hoewel engelen zich met enorme snelheid kunnen verplaatsen, weten wij toch dat zij voor hun reizen tijd nodig hebben.

HEBBEN ENGELEN LICHAMEN?

Dit is een vraag, die sedert onheugelijke tijden de theologen heeft bezig gehouden. ,Hebben engelen een lichamelijk bestaan? Bezitten zij een lichaam waarmee zij bepaalde handelingen kunnen verrichten?”

Zonder na te denken zouden de meesten van ons antwoorden: „Natuurlijk niet; engelen zijn geesten en hebben daarom geen lichamen”. De moeilijkheid echter is dit: als wij aan een lichaam denken, dan denken wij aan STOFFELIJKE, NATUURLIJKE lichamen en omdat wij alleen maar kunnen waarnemen wat stoffelijk is en niets van wat tot de geestelijke wereld behoort kunnen zien, bestaat de mogelijkheid, dat er andere vormen van schepselen bestaan.

Wij kennen een natuurlijk, een psychisch en een geestelijk terrein; maar is God ook beperkt tot deze drie vormen? Toen de Here Jezus aan Zijn discipelen verscheen, dachten zij, dat het een geest was (Lucas 24:37). De Here Jezus verzekert hen:

„…ziet mijn handen en mijn voeten, betast mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals ge ziet, dat Ik heb” (Lucas 24:39 ).

Nu is de gewone opvatting van dit vers, dat de Here Jezus gezegd zou hebben, dat een geest geen lichaam heeft, van welke aard dat ook zou zijn. Hij vertelt hun echter alleen, dat een geest geen tastbaar, zichtbaar lichaam heeft van vlees en beenderen, zoals de Here Jezus had. Hij zegt niet, dat geesten niet een andersoortig lichaam hebben, dat verschilt van een lichaam van vlees en beenderen.

HET OPSTANDINGSLICHAAM

Beschouw dit nu niet als een onbenullige opmerking, want Paulus vertelt ons, dat er lichamen zijn die niet tastbaar en niet zichtbaar zijn. Zie 1 Cor. 15:38-40, waar Paulus over de opstanding spreekt:

„Maar God geeft er een lichaam aan, gelijk Hij dat gewild heeft en wel aan elk zaad zijn eigen lichaam. Alle vlees is niet hetzelfde, maar dat van mensen is anders dan dat van beesten, en het vlees van vogels weer anders dan dat van vissen. Er zijn hemelse en aardse lichamen, maar de glans der hemelse is anders dan die der aardse. Er is een natuurlijk lichaam en er is een geestelijk lichaam”.

Een lichaam behoeft niet stoffelijk te zijn, waarneembaar voor de zintuigen. Het zou mogelijk kunnen zijn, dat er op de myriaden sterren in het heelal honderden soorten andersoortige schepselen wonen, die noch tot de stoffelijke, noch tot de geestelijke wezens behoren. God heeft ons hierover niets geopenbaard, dus kunnen wij er ook geen zinnig woord over zeggen, of zij wel of niet bestaan. De Bijbel bevat alleen die dingen, die wij hier op aarde nodig hebben. Als wij in de hemel zijn, zullen ons veel verrassingen geopenbaard worden, daar ben ik zeker van! Ik ben mij bewust, dat wij er slechts over kunnen peinzen hoe en wat het zal zijn. Gods wijsheid en macht zijn altijd groter dan onze gedachten!

ENGELEN HEBBEN EEN LICHAAM NODIG

Het blijkt uit de Bijbel, dat de engelen steeds in een lichaam verschijnen. Als de engelen in het Oude Testament versche­nen, kwamen ze meestal in mensengedaante. Er zijn sterke aanwijzingen, dat alle engelen met een lichaam werden geschapen. Toen een aantal engelen tegen God opstonden en vielen, werden zij getroffen door de vloek van God, waarbij hen mogelijk hun lichamen ontnomen werd.

Voor zij vielen hadden zij vermoedelijk een lichaam, waarvan wij de vorm niet kennen. Nu werden zij mogelijk tot geesten zonder lichaam gemaakt, waardoor hun werkzaamheid werd geremd. Dit had tot gevolg, dat ze minder macht hadden dan daarvoor!

Om toch met hun arbeid voort te kunnen gaan, moeten zij in een ander lichaam gaan wonen. In de hof van Eden verzocht satan Eva pas, nadat hij in een lichaam was gevaren en zich had geïncarneerd in het lichaam van de slang. In Gen. 6 brachten de gevallen engelen, hier „Zonen Gods” genoemd, een ras van reuzen voort door de vereniging van deze demonische geesten met de dochters der mensen.

In het eindkonflikt der eeuwen gedurende de Grote Verdrukking zal satan zich opnieuw in een mens incarneren: de antichrist, de mens der zonde.

Zonder lichaam schijnt hij krachteloos te zijn. Tijdens de eerste komst van Christus richtte hij zijn aanval op de Here Jezus door een man, koning Herodus. Toen hij zijn laatste slag wilde slaan voer hij in het lichaam van Judas, die „duivel” genoemd wordt (Lucas 22:3 ).

De engelen hebben een lichaam nodig om hun werk te kunnen verrichten.

DEMONEN EN VARKENS

In de dagen van de Here Jezus namen de demonen veelvuldig hun intrek in de lichamen van de mensen. Zo begerig zijn deze demonen om in een lichaam te zijn, zo verlangend om zich met een lichaam te bekleden, dat een aantal demonen soms in één lichaam gingen wonen. Als wij aannemen, dat deze gevallen engelen eens zelf een lichaam hadden, kunnen wij hun sterk verlangen begrijpen om in een lichaam te wonen, waardoor zij kunnen handelen.

Een treffend voorbeeld hiervan is het verhaal van de demonische man in Gardara (Lucas 8 ). Hier vinden wij een krankzinnige, die van vele demonen is bezeten. Toen hij de Here Jezus zag, stelde deze man een vreemde vraag:

„Wat hebt gij met mij te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God?

Ik smeek U, dat Gij mij niet pijnigt” (Luc. 8:28).

De demon smeekte de Here Jezus, hem niet te pijnigen. Welk soort pijn bedoelde de demon hiermee?

Deze pijniging stond in verband met het verlaten van het lichaam van deze man. Zie vers 29: „Want Hij gaf de onreine geest bevel van de man uit te varen”. De geest moest het lichaam verlaten en zou dus weer een geest zonder lichaam zijn. De demon zei: „Pijnig mij niet”, omdat de Here Jezus de onreine geest bevolen had van de man uit te varen. (Luc. 8:29).

Toen de demonen in de gaten hadden, dat de Here Jezus hen zou gaan uitwerpen (ze waren met velen) en begrepen, dat het lichaam, waarin ze woonden, hun zou worden ontnomen, deden zij een vreemd verzoek. Zij vroegen toestemming om in de lichamen van de varkens te mogen varen. Dit verkozen zij boven het zonder lichaam in de diepte te moeten verzinken.

„Nu werd op de berg een talrijke kudde varkens gehoed; en zij smeekte Hem dat Hij hun zou toestaan daarin te varen.

En Hij stond het hun toe” (Luc. 8:32).

Demonen hebben lichamen nodig om werkzaam te kunnen zijn. Vandaag is dit nog zo. Ook al komt bezetenheid in onze tijd niet zo vaak voor zoals in de dagen van de Here Jezus, satan en zijn trawanten gaan echter nog steeds door met hun boze arbeid door bezit te nemen van lichamen van mensen. Hij werkt zijn plannen uit via zondige mensen; ongelovigen, valse leraars en predikers, die de waarheid van Gods Woord aanvallen en zelfs de gelovigen vervolgen. Ik heb persoonlijk nog nooit een demon gezien, toch heb ik ze vele malen ontmoet in mensen, die werkelijk bezeten waren van boze geesten.

Ik herinner me niet, ooit direkt door een demon te zijn aan­gevallen, maar ik heb onbeschrijfelijk geleden onder de vervolging, mij aangedaan door mensen, die van de duivel bezeten waren.

Wat moeten wij op onze hoede zijn, om niet onze lichamen ten dienste te stellen van de boze geesten. Zij zouden zelfs graag de lichamen van gelovigen willen gebruiken voor hun verderfelijke arbeid.

Ze zouden graag uw tong willen gebruiken om lasterpraatjes rond te strooien; uw oren om u in verzoeking te brengen; uw handen om u te weerhouden voor de Heer te werken; uw voeten om u op het pad der zonde te leiden.

De Here Jezus zei tegen Petrus: „Ga achter Mij, satan” (Marc. 8:33 ) want Petrus werd bedreigd door het gevaar, dat satan van zijn mond gebruik zou maken. In Lucas 22 lezen wij een ernstige waarschuwing tegen de mogelijkheid, dat satan ons zou gaan gebruiken:

„Simon, Simon, zie, de satan heeft verlangd u heden te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken” (Luc. 22:31, 32).

WANDEL NAUWKEURIG

Christen, wandel voorzichtig, want onze tegenstander, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw en zoekt wie hij zou kunnen verslinden. Er is slechts één manier om volledig zijn aanvallen te weerstaan. Dit is alleen mogelijk door het bloed van Christus en het WOORD.

In de grote strijd van Michaël en zijn engelen tegen satan en zijn legermachten, lezen wij, dat de gelovigen de beschuldiger van onze broeders overwonnen:

„Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis” (Openb. 12:11).

Een woord voor u, die nog geen overtuigd christen bent: De demonische machten hebben ook u op het oog. Hun speciale manier van aanvallen is: de ogen van zondaren verblinden voor het verschrikkelijk oordeel dat hen wacht.

Paulus zegt ons: „De god dezer eeuw heeft de overleggingen der ongelovigen met blindheid geslagen …” (2 Cor. 4:4).

God wil verblinde ogen openen, als u slechts in Hem wilt geloven. Er wacht een eeuwigheid. Een eeuwigheid van vreugde of van rampzaligheid, van licht of van duisternis in tegenwoordigheid van engelen of van demonen, met Chris­tus of met satan!

De verlosten zullen de eeuwigheid doorbrengen met Christus, in tegenwoordigheid van de heilige engelen, in een toestand van onuitsprekelijke gelukzaligheid. De verlorenen zullen de eeuwigheid moeten doorbrengen in duisternis, die bereid is voor de duivel en zijn engelen. U kunt nu kiezen, bij wie van beiden u in de eeuwigheid wilt zijn.

Wie kiest u? Zal uw keuze Christus of satan zijn?

Dit is het vierde en laatste hoofdstuk waarin wij schrijven over de engelen van God. Wij zagen reeds, hoe de engelen hun dienst in opdracht van God verrichten. Ook zagen wij, hoe zij de mens begeleiden van zijn geboorte tot aan de poort van de hemel. Zij worden immers dienende geesten genoemd, uitgezonden ten dienste van hen, die de zaligheid zullen beërven. (Hebr. 1:14)

ENGELEN DIE ONS BESCHERMEN

Als de hulp van engelen ons in ons leven niet ten dienste stond, dan zouden wij spoedig het slachtoffer worden van onze vijand, de duivel.

Hij gaat rond als een brullende leeuw en zoekt wie hij kan verslinden.

Maar God zendt zijn engelen om ons steeds te beschermen. Heel ons leven door schijnt dat voortdurend het geval te zijn.

Toen God op het punt stond de steden Sodom en Gomorra te vernietigen, zond hij zijn engelen om Lot en zijn dochters te waarschuwen ten einde ze veilig uit de stad te leiden. Toen Daniël in de leeuwenkuil was, werd hij beschermd door engelen. Daniël zelf getuigt hiervan:

„Mijn God heeft zijn engel gezonden en de muil der leeuwen gesloten . . . .” (Dan. 6:23).

Toen Petrus in de gevangenis zat (Hand. 12 ), was het een engel, die hem bevrijdde.

De apostelen in Hand. 5 werden uit de gevangenis gehaald door een engel, want:

„. . een engel des Heren opende des nachts de deuren van de gevangenis en leidde hen naar buiten . . . (Hand. 5:19).

Wat een troostvolle zekerheid om te weten dat, hoewel onzichtbaar voor onze ogen, God om ons heen zijn hemelse beschermers heeft geplaatst, die ons op de weg door dit leven begeleiden.

Wij moesten er meer van overtuigd zijn, dat wij hemelse legerscharen engelen tot onze dienst hebben, dan zouden wij minder op onze eigen macht en inzicht vertrouwen. Kon een volk maar inzien, dat, als wij ons vertrouwen op Christus stelden, alle vijandelijke legers ondergeschikt zouden zijn aan de engelenmachten die om ons heen zijn. O, waren wij er maar van overtuigd, dat de wapenen van onze strijd niet vleselijk, maar geestelijk zijn (zie 2 Cor. 10:4).

ENGELEN ZIJN GEINTERESSEERD IN ONS BEHOUD

Gods engelen hebben zowel belangstelling voor onze redding als voor ons welzijn hier op aarde.

Hoewel engelen uit eigen ervaring nooit de vreugde van het gered zijn kunnen weten, hebben zij toch grote belangstelling in de redding van zondaars.

Zij jubelen als een mens zich bekeert en zich tot Christus wendt.

„…Er is blijdschap bij de engelen Gods over één zondaar die zich bekeert” (Luc. 15:10).

Herhaaldelijk horen wij de tegenwerping, dat wat ons over engelen wordt verteld, niet voor vandaag is.

De bijzondere activiteit der engelen was zo beperkt tot het Oude Testament, dat wij in onze tijd niet dezelfde manifestaties kunnen beleven.

Het Nieuwe Testament is echter ook vol van mededelingen over dienende engelen.

Philippus werd door een engel geleid om de moorman uit Ethiopië te ontmoeten ergens op de weg naar Gaza (Hand. 8:26-40).

Cornelius, een zoeker naar de waarheid, die in Caesaréa woonde, kreeg bezoek van een engel, die hem opdracht gaf boodschappers naar Petrus te zenden, opdat die hem de weg des behouds zou verkondigen (Hand. 10:1-48). Toen Paulus naar Rome reisde, was het een engel, die hem van een behouden aankomst verzekerde (Hand. 27:23, 24 ). Het is waar, dat engelen nu niet meer verschijnen in een zichtbare, tastbare vorm, zoals zij dat oudtijds deden, maar dit heeft een reden.

Vandaag hebben wij de volledige openbaring van God in het Nieuwe Testament, waaruit wij de boodschap van God voor ons kunnen vernemen.

Dit maakt de bijzondere dienst van engelen minder noodzakelijk, maar niettemin zijn ze nog altijd aanwezig.

Er staat in de Bijbel, dat de engelen aanwezig zijn in de samenkomsten van de gelovigen, als zij de Heer loven en prijzen. Wanneer er gesproken wordt over de plaats van de vrouw in de samenkomsten der plaatselijke gemeente en over haar gedrag daar, dan lezen wij, dat de vrouwen een hoofddeksel moeten dragen vanwege de engelen, d.w.z. vanwege de tegenwoordigheid van de engelen (1 Cor. 11:10; zie ook 1 Cor. 4:9).

De engelen zijn dan blijkbaar aanwezig om er op toe te zien, hoe trouw en schriftuurlijk wij Gods voorschriften naleven. Zouden zij misschien ook aantekening houden van wat er in de samenkomsten besproken wordt?

Het hoogtepunt in de omgang van de engelen met Gods kinderen komt aan het einde van ons leven.

In dat ogenblik zullen wij hen inderdaad het meest nodig hebben.

Als de Heer niet heel spoedig weerkomt, dan zullen velen van ons, misschien wel allen, de vallei des doods moeten passeren om ons hemels tehuis binnen te gaan. Zie: De Opname der Christenen

Hoewel de Here Jezus de prikkel des doods heeft weggenomen blijft de dood niettemin onze vijand.

Er bestaat niet zoiets als een „natuurlijke” dood, alsof die bij ons menselijk bestaan hoort, want de mens is geschapen te leven en niet om te sterven.

De dood is het gevolg van de vloek en zonder Gods genade is hij een griezelige toeschouwer.

Hoewel voor de gelovige de dood beroofd is van veel van zijn verschrikkingen, is het evenzo waar, dat hij bescherming nodig heeft voor het laatste deel van zijn levensreis. Als een kind van God sterft, zal zijn lichaam worden begraven en tot stof terugkeren. Onthoud echter goed, dat de ziel geest de lange reis naar de hemel moet maken.

Paulus zegt: „Wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen (2 Cor. 5:8).

Op het ogenblik, dat de ziel het lichaam verlaat, gaat zij naar de hemel.

Omdat de hemel boven de aarde is, moet de ziel op weg naar de hemel alle sferen passeren.

De atmosfeer rondom de aarde is de verblijfplaats van de duivel en zijn demonen. Zie Het Bijbels wereldbeeld.

Hij wordt in de schrift genoemd „de overste van de macht der lucht” (Eph. 2:2).

Als onze ogen dat zouden kunnen zien, dan zouden wij ongetwijfeld de lucht gevuld zien met deze geesten, die vijanden zijn van Christus en van Gods kinderen.

Als satan in staat was de engel uit Daniël 10 drie weken lang tegen te houden, toen deze met zijn boodschap op weg was naar de aarde, dan kunnen wij ons de tegenstand indenken die een gelovige zou ontmoeten.

Maar Christus heeft de weg door satans domein doorbroken. Toen Hij naar de aarde kwam, ging Hij dwars door satans gebied, vergezeld van hemelse legerscharen.

Toen Hij terug keerde ging Hij opnieuw dwars door de woonplaats der demonische horden, die Hij links en rechts uiteen joeg, terwijl Hij ze verstrooide als gevolg van de glorieuze overwinning der opstanding.

Op deze wijze heeft Christus de weg naar de hemel geopend dwars door satans gebied.

Nu is voor ons de weg vrij en hebben wij een escorte van engelen naar de hemel.

Het is satans laatste kans een kind van God aan te vallen, als de ziel het lichaam verlaat en opvaart naar Gods tegenwoordigheid.

Maar God zal Zijn vijand niet toestaan om zijn laatste aanval te ondernemen, want engelen zullen de ziel veilig thuis brengen.

Als dat hemelse leger er niet was, dan zouden de gelovigen de hemel misschien in het geheel niet kunnen bereiken.

LAZARUS EN DE ENGELEN

Vóór de dood van de Here Jezus aan het kruis op Golgotha, ging de ziel van de gelovige na zijn dood naar BENEDEN en niet OMHOOG! Hij ging naar het dodenrijk ( dat in het Hebreeuws sheool en in het Grieks hades genoemd werd). Vóórdat de Here Jezus volledig betaald had voor de zonde op Golgotha, kon niemand nog de hemel binnen gaan.

Lazarus, die stierf vóórdat de Here Jezus de schuld aan het kruis betaald had, ging dus ook naar het dodenrijk. Hoe kwam hij daar?

„Het geschiede, dat de arme stierf en gedragen werd door de engelen in Abrahams schoot” (Luc. 16:22).

GEDRAGEN door de engelen. Niet vergezeld door de en­gelen, maar gedragen. Welk een ervaring voor een man, die als bedelaar gelegen had aan de poort van een rijkaard. Nu werd hij gedragen door de engelen. Wat zouden wij die stoet graag hebben willen zien!

God zorgde niet slechts voor één engel, maar voor meerdere engelen om Zijn kind thuis te halen!

Nu, na de opstanding van de Here Jezus en na Zijn hemelvaart is dit alles nog veel heerlijker geworden. Als nu een kind van God sterft, gaat hij niet naar het dodenrijk, maar naar de hemel omhoog.

Toen de Here Jezus naar de hemel terugkeerde, nam Hij alle gelovigen die toen in het dodenrijk waren met Zich mee. Hij nam Zijn overwinningsbuit mee! (Eph. 4:8-10 ). Nu Hij overwonnen heeft, mogen de gestorven gelovigen direct delen in Zijn overwinning. De toegang tot God is vrij en direct gaan de gestorven gelovigen uit het Oude Testament met de Heer mee de hemelse heerlijkheid binnen.

Vanaf dat moment gaat de gelovige als hij sterft niet naar het dodenrijk, maar naar de hemel. Zegevierend reist hij door de verblijfplaats van de demonen ( de lucht ).

Hij zal zijn Koning in al Zijn schoonheid ontmoeten.

Wij lezen in onze kranten, van de geweldige ontvangsten die vaak koninklijke gasten ten deel vallen.

Wat een gezicht, al die hoogwaardigheidsbekleders in mooie auto’s, muziekkorpsen, keurig in gelid marcherende militairen, wapperende vlaggen en nog veel meer.

Maar dat alles is niets, vergeleken met de thuiskomst van een kind van God, niets in vergelijking met het sterven van een gelovige.

Naar HUIS gaan, deze aardse tent verlaten, losgemaakt van de banden der stof, vrijgemaakt te zijn, vaarwel te zeggen tegen alle sterfelijkheid en omringd door de hemelse legers van engelen, door hen gedragen te worden, hoger, steeds hoger onder het overwinningsgeroep van de verlosten, die reeds in de hemel zijn, verwelkomd te worden door de ontelbare rijen engelen en dan — Glorie, Halleluja — voorgesteld te worden aan de Koning en Hem te horen zeggen: „Welkom thuis, Mijn kind!”

Werkelijk, als men hieraan denkt, dan kan men met Paulus uitroepen:

„Dood waar is uw overwinning?

Dood, waar is uw prikkel?” (1 Cor. 15:55).

IS DIT STERVEN ?

U vraagt mij: Is dat een beschrijving van wat sterven wer­kelijk is?

Onderzoek de Schrift mijn vriend, want daarin leest u precies hoe een gelovige sterft.

Het lichaam kan lijden, maar het scheiden wordt een overwinning, doordat wij de verzekering hebben elkaar weer te zullen ontmoeten.

Als wij sterven, laten wij hier een aantal vrienden achter, om er duizend maal meer in de hemel te ontmoeten. Sterven wordt dan een deur in het donker, die als ze open gaat, ons het eeuwige licht binnenleidt.

Is dit voor de gelovige sterven? Zijn wij hier nu zo bang voor? Inderdaad, mijn vriend, sterven kan iets schoons zijn. Ik heb dat al heel wat keren gezien. De grootste overwinningen, die ik ooit heb gezien, waren aan het sterfbed van gelovigen.

Geen wonder, dat de Bijbel zegt: „Hoe kostbaar is de dood van de Zijnen” (Ps. 116:15 ). David had het licht aan de overzijde van het graf gezien, toen hij getuigde:

„Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad” (Ps. 23:4).

Bent u bang voor het onontkoombare afscheid? De gelovi­ge behoeft geen vrees te koesteren voor de dood. Het is in werkelijkheid het sterven, waarvoor wij bang zijn, niet voor de dood. Wij vrezen de scheiding, niet de ‘ontmoeting.

Als wij eens allemaal zouden kunnen worden weggenomen zonder te sterven, zoals dat gebeuren zal, als de Here Jezus komt,
dan ben ik er zeker van, dat geen enkel goed onderwezen kind van God er bang voor zou zijn.

Het resutaat is echter hetzelfde, of men nu sterft of bij de opname der Gemeente zal behoren. Het zal de grote hereniging zijn.

Misschien nadert u het einde van de aardse reis. Beschouw de ervaring van uw gaan door de vallei des doods niet als een afscheid, maar als een aankomst. U gaat naar huis! Spoedig zult u de zachte voetstappen horen van de hemelse afgezanten, die u zacht zullen opnemen, uw aardse banden zullen los maken, u omhoog dragen, omhoog, voorbij zonnen en sterren en sterrenstelsels, het „heerlijke Vaderhuis binnen met zijn vele woningen”.

En dan voor altijd bij Hem, terwijl de engelen voor u zorgen, totdat wij terugkeren om ons nieuwe lichaam te ontvangen bij de Here Jezus’ tweede komst.

Wat een heerlijkheid zal dat zijn. Is dit de betekenis van de dood? Ja, voor de gelovige is de dood de overwinning over de dood. Hoe wonderbaar, als de Here Jezus zou komen en wij allen tegelijk zouden gaan. Maar als Hij nog niet komt, wat een wondervolle voorziening heeft Hij dan voor ons getroffen. Er mag komen wat wil, het is altijd goed! Of wij leven of sterven, wij zijn des Heren! (Rom. 14:8).

Als wij van Hem zijn, dan kan niets ons kwaad doen, de dood niet en het leven niet; mensen noch demonen.

Niets kan ons scheiden van de liefde van Christus.

Ik weet niet wanneer mijn Heer weerkomt
Of waar ik Hem begroet.
Of dat ‘k moet sterven,
voordat ik Hem in de lucht ontmoet?
Maar ik weet in Wien ‘k geloofd heb
En ben verzekerd, mijn Heer is machtig
Dat Hij het pand, Hem toevertrouwd,
Tot die dag bewaart voor mij.

„Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here” (1 Corinthe 15:58).

Laat een antwoord achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *