De Duivel in onze tijd

De duivel is werkelijk een persoon

Omtrent de duivel bestaan de volgende twee algemene misvattingen: men heeft òf een te lage òf een te hoge dunk van zijn macht. Het is een tragische vergissing te denken, dat de duivel niets anders is dan het product van een overspannen dichterlijke geest. Een even ernstige dwaling is, hem een buiten elke verhouding staande plaats te doen innemen, hem bijna op één lijn te stellen met God. Nergens staat in Gods Woord geschreven, dat wij de duivel moeten vrezen. Wij hebben de duidelijke opdracht de Here — en Hem alleen — te vrezen.

Als wij over de duivel spreken, zeggen sommigen: ‘Spreek ons alleen over de Here, want wij worden al genoeg lastig gevallen met de deprimerende dingen van het leven’. Dit is in zekere zin een redelijk verzoek. Maar ik weet niet, hoe wij uitvoerig over de Here kunnen spreken zonder ooit over de duivel te reppen. Er is immers sprake van een openlijk conflict tussen de Here en de satan en de Bijbel vertelt de geschiedenis van dat conflict. De Bijbel spreekt eveneens over de rol, die wij daarbij in de loop der eeuwen spelen; hoe wij enerzijds door beproevingen en verzoekingen worden belaagd en anderzijds door Gods voorzieningen en beloften worden gezegend.

Verzoeking is het lot van de mensheid vanaf de dag van onze eerste ouders. Verzoeking en beproeving zijn de wet van het leven. God beproeft ons, om ons sterk te maken; de duivel verzoekt ons, om te zien waar wij zwak zijn. Verzoeking hoort bij de mens. Iedereen wordt verzocht — de één meer, de ander minder. De wijze waarop wij in verzoeking worden gebracht, is voor ieder van ons verschillend. Sommigen zijn tegen de verzoekingen bestand, anderen gaan er aan te gronde.

Wij behoeven nooit de beproevingen, die van de Here afkomstig zijn, te vrezen. Ze zijn voor ons bestwil en hebben slechts ten doel ons sterk te maken. God beproeft Zijn volk dikwijls. Hij beproefde Israël zowel in de woestijn als in het land Kanaän.

Beproevingen zijn oefeningen voor de ziel. Daarom zegt Jacobus: ‘Houdt het voor enkel vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt, want gij weet, dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt. Maar die volharding moet volkomen doorwerken, zodat gij volkomen en onberispelijk zijt en In niets te kort schiet‘. (Jacobus 1 : 2-4).

Het woord ‘verzoeking’ betekent hier geenszins aansporing tot het bedrijven van kwaad; integendeel — hier is duidelijk sprake van een vorm van opvoeding. In een andere tekst zegt Jacobus: ‘Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: lk word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking‘. (Jacobus 1 : 13). Het woord ‘verzoeking’ in dit vers betekent wel aansporing tot het bedrijven van kwaad.— en van Godswege wordt nooit iemand tot het doen van kwaad aangespoord. Jacobus verklaart deze betekenis van het woord ‘verzoeking’ verder door te zeggen: ‘Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte‘ (Jac. 1 : 14).

De duivel is een aartsverleider. Hij kan verzoeken als geen ander. Hebt u ooit acht geslagen op de ‘zoete leugens’, die Satan Eva op die noodlottige dag van haar val vertelde? ‘Uw ogen zullen geopend worden en gij zult zijn als God, kennende goed en kwaad‘ (Gen. 3 : 5). Het gesprek tussen Satan en Eva moet langer zijn geweest dan de tekst vermeldt; want op de een of andere wijze wist zij, dat ‘de boom goed was om van te eten en begeerlijk om daardoor verstandig te worden‘ (Gen. 3 : 6). In zijn werk ‘Paradise Lost’ (‘Het Verloren Paradijs’) denkt Milton, dat de slang Eva heeft verteld, dat hijzelf van de vrucht had gegeten en welke geweldige dingen er daarna met hem gebeurden.

Laten wij niet vergeten, dat wij zelfs in deze wereld van verzoeking niet behoeven te vrezen. Wij moeten slechts onze eigen zwakheid vrezen en, onze zwakheid kennende, volkomen op de macht van de Here vertrouwen. Want de Bijbel zegt: ‘Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij er tegen bestand zijt‘ (1 Cor. 10 : 13). Wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle. Laat degene, die gevallen is, zich herstellen en grijpen naar de sterke hand van de Here, die hem weer kan en zal oprichten.

Opdat wij de verleider en zijn listen en methoden beter leren kennen, hebben wij de duivel dit keer tot onderwerp genomen van onze Bijbelstudie. Twee Schriftgedeelten zullen daarbij als basis voor onze overdenkingen dienen, terwijl vele andere teksten ons verdere klaarheid zullen geven. Job 1 en Matthéüs 4, de twee gedeelten, waarnaar wij verwijzen, zullen ons de aartsvijand van God en mens ontmaskeren.

De duivel is een persoon

Laten wij dit eerste feit betreffende de duivel onderstrepen. Hij is een werkelijk persoon. Natuurlijk is hij niet, zoals hij soms door kunstenaars wordt uitgebeeld, een monsterachtig wezen met gemeen uiterlijk, lange nagels, gespleten hoeven, lange staart en een vork met drie tanden in de hand! Maar niettemin is hij een realiteit.

Wat doet hij ?

Wij zullen de persoonlijkheid van de duivel zien, als wij enige van de dingen, die hij doet, nader belichten. In één oogopslag zal het duidelijk worden, dat hij eigenschappen bezit, die behoren aan een persoon: persoonlijkheid, verstand, gevoel, rede en wil. Hij spreekt, maakt plannen, begeert en beredeneert. Hij laat zijn gedachten gaan o.a. over de heiligen van God. Toen de Here hem vroeg: ‘Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? — bleek dat inderdaad het geval te zijn! De duivel was er volkomen zeker van, dat hij ook Jobs zwakheden kende! Dat zijn karakter duivels is, blijkt uit hetgeen hij Job aangedaan heeft.

Eerst doodde hij Jobs veestapel: ezels, schapen, kamelen enz. Daarna vermoordde hij de knechten van deze goede man. Niet tevreden met deze verwoestingen, stort hij zich op Jobs kinderen en doodt hen. Dan valt hij, met een tomeloze begeerte om kwaad te stichten, Job zelf aan en slaat de man van het hoofd tot de voeten met zweren — en dit alles absoluut zonder enige aanleiding van Jobs kant! Job had niets anders gedaan, dan het dienen van God. De duivel deed dit alles uit naijver jegens van God en vanwege zijn eigen duivels karakter. De heiligen van God moeten deze waarheid goed onthouden: de duivel heeft geen oorzaak nodig om ons aan te vallen. Zijn aanval behoeft niet voort te komen uit het feit, dat sommigen onder ons hebben gezondigd of onbewust een daad van ongehoorzaamheid jegens God hebben begaan.

Hoe werkt hij ?

Leest u eens Matthéüs 4 : 1-10. Wij kunnen hier in tien minuten meer over de duivel te weten komen dan uit eigen ondervinding in tien jaren. Hij heeft de reputatie zich knap te kunnen vermommen, zodat wij hem voor iemand anders aanzien en zijn werk voor het werk van iemand anders.

Let daarbij op het feit, dat hij zich niet voor de Here boog; hij kwam, om Hem te verzoeken! Hoe verregaand is de eerzucht van de boze! Als hij zelfs de Here wilde verzoeken, zal hij òns zeker niet vrezen — en hij heeft helaas maar al te veel succes geboekt met zijn verleidingskunsten! Hij weet hoe, wanneer en waar hij moet aanvallen. Bijzonder bekwaam is hij in het brengen van mensen naar een plaats, waar Gods beschermende macht of Zijn zorg voor ons in twijfel wordt getrokken. Zelfs kan hij ons zo ver brengen, dat wij ons afvragen of God wel bestaat! Hij wil ons tot ongehoorzaamheid en rebellie verleiden en ons aanzetten tot het becritiseren van Gods wegen en Gods volk. Hij wil ons er toe verleiden niet meer op God te vertrouwen. Hij zal ons zonder blikken of blozen aanraden de wandel met God op te geven en ons aan moedeloosheid en neerslachtigheid over te geven. Als hij kan — en hij is de meesterverleider — zal hij ons wijs maken, dat niemand ooit zo verzocht is als wij. Hij zal ons inblazen, dat niemand zo uitnemend zijn best gedaan of zo ellendig gefaald heeft als wij!

Vergeet nooit, dat de duivel een meester in zijn vak en vol eerzucht is. Hij is bekwaam, intelligent en ijverig en werkt met een angstaanjagende nauwgezetheid. Wij mogen dan al denken, dat het leven slechts een onschuldig spel is — de duivel begaat deze fout nooit.

Het komt mij voor, dat een eerlijk en nauwkeurig onderzoek van de Schrift moet leiden tot de conclusie, dat hij een persoon is, en wel een zeer rusteloos en ijverig persoon! Oorlog, ziekte, pijn en zonde tonen zijn karakter en doel. Deze verschrikkelijke dingen, waarmee het menselijk ras wordt gekweld, zijn het resultaat van een monsterlijk complot. Hij verleidt, verzoekt, kwelt en stort mensen in het verderf. Wij hebben de keus: òf wij accepteren het feit, dat de duivel een persoon is, òf wij maken van de mens zelf een duivel, verantwoordelijk voor al het kwaad in de wereld. Wij moeten de feiten onder ogen zien — en die feiten zijn, dat er in onze wereld vele dingen zijn geweest en nog zijn, die nadere uitleg behoeven. Wie is verantwoordelijk voor de dwaze oorlogen, die wij in de afgelopen 50 jaar hebben gevoerd? Hoe is het mogelijk, dat wij elke oorlog voeren met het motief om een einde aan de oorlogen te maken, terwijl wij — nog voordat de laatste kanon is afgekoeld — ons al weer voor een nieuwe oorlog bewapenen. Wij vechten niet langer met werpslingers, zwaarden en speren, maar met wapens die op grote schaal en genadeloos doden. De oorlog laat zo’n spoor van verschrikking, angst, pijn, verwoesting, verderf en redeloze ellende na, dat we wèten, dat het dwaasheid zou zijn een nieuwe oorlog te beramen — en tòch doen we het! Hier moet een geest achter zitten, die subtieler, slechter, hartelozer en wreder is dan de menselijke geest!

De duivel en de aarde

Vaak spreken we over de duivel, alsof hij overal tegelijk aanwezig is. Dit is echter niet het geval. Hij heeft klaarblijkelijk slechts dezelfde verplaatsingskracht als Gods engelen. Alomtegenwoordigheid is een eigenschap, die God alleen bezit. Wij kennen niet de juiste verblijfplaats van de duivel. Sommigen veronderstellen aan de hand van de uitdrukking in Openb. 2 : 13: ‘dáár waar de troon des Satans is‘, dat zijn hoofdkwartier zich in Pergamos bevindt. Dit berust ons inziens op speculatie. Wij weten echter genoeg van Satan’s verhouding tot de aarde — zonder daarbij in speculatie te vervallen — om duidelijk te kunnen vaststellen, hoe onze houding tegenover hem dient te zijn. Wij weten ook, dat hij helpers in overvloed heeft. Openb. 12 : 9 toont aan, dat er een tijd zal komen, dat Satan en zijn engelen niet de macht zullen bezitten, die zij momenteel hebben: ‘En de grote draak werd (op de aarde) geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de hele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem‘. Deze engelen van satan, die met hem op de aarde zullen geworpen worden, zijn zijn tegenwoordige helpers. Zij zijn blijkbaar zeer talrijk en georganiseerd, om satan te helpen bij zijn poging de geesten van mensen en de wereld te regeren. Jezus erkende hun aanwezigheid bij talrijke gelegenheden en trad tegen hen op als personen.

De God dezer eeuw

De duivel heeft meer macht over de aarde, dan de meeste mensen kunnen dromen. En als zij dat wel kunnen, dan zullen enige van hun dromen hen angstige nachten bezorgen! In 2 Cor. 4 : 4 wordt de duivel ‘de god dezer eeuw’ genoemd. Met deze éne verklaring erkende de apostel Paulus, dat Satan machtig is en door grote massa’s van mensen wordt aangebeden, vereerd of gevolgd. Als de ‘god dezer eeuw’ heeft de duivel de geesten van ongelovigen verblind, ‘zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus‘. Dit is zijn methode, onn hen in slavernij en duisternis te houden.

Wanneer eenmaal een mens in gelovig contact komt met de Here Jezus Christus, weet de duivel heel goed, dat hij zijn macht over hem kwijt is. ‘In het Woord (Christus) was leven; en het leven was het licht der mensen‘ (Joh. 1 : 4). De duivel is zich hiervan volkomen bewust. Paulus schrijft aan Christenen het volgende: ‘En dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht. Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde, in wie wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden‘ (Col. 1 : 12-14). De duivel is geen dwaas — hij wil de wereld in duisternis houden — verblind voor het goede nieuws, dat leven, licht en verlossing brengt. Speciaal Johannes maakt duidelijk, dat het eeuwige leven ons deel wordt door het geloof (Joh. 3 : 36, 1 Joh. 5 : 11). Dus zal de ‘god dezer eeuw’ niets en niemand ontzien, om ons van het geloof in Christus als onze Here te weerhouden!

De duivel is niet de god dezer eeuw in die zin, dat hij de wereld geschapen heeft, of haar onderhoudt of plannen beraamt voor haar welzijn. Zijn wil is, de wereld voor God te vernietigen. Satan is de bewerker van wantrouwen en eigengerechtigheid. Zijn reusachtig succes in zijn werk mensen er toe te brengen op zichzelf te vertrouwen en God te wantrouwen, heeft hem de titel ‘god dezer eeuw’ bezorgd. Om onze gedachten zuiver te houden, zodat wij weten, dat de duivel nooit de laatste en absolute heerschappij over de wereld zal hebben, en om onze harten zelfs in de donkerste dagen te bemoedigen, zegt Paulus: ‘Dat gij dit gebod onbevlekt en onberispelijk handhaaft tot de verschijning van onze Here Jezus Christus, welke te zijner tijd de zalige en enige Heerser zal doen aanschouwen, de Koning der koningen en de Here der heren’ (1 Tim. 6 : 14, 15). Satan heeft grote macht over de aarde, maar God is almachtig. Na de opstanding zei Jezus: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde‘ (Matth. 28 : 18). Wij lezen ook, dat zelfs nu de Here Jezus ‘alle dingen draagt door het woord Zijner kracht‘ (Hebr. 1 : 3).

Eens zal de rechtmatige eigenaar van de wereld, de Koning der koningen, wederkomen op aarde en dan zal men zeggen: ‘Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jacobs, opdat Hij ons lere aangaande Zijn wegen en opdat wij Zijn paden bewandelen .Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren Woord uit Jeruzalem. En Hij zal richten tussen volk en volk en recht spreken over machtige natiën. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen den oorlog niet meer leren‘ (Jes. 2 : 3, 4).

Wat betreft de verhouding van de duivel tot de aarde en de mensheid heeft Johannes het volgende te zeggen: ‘Wij weten, dat wij uit God zijn en de hele wereld in het boze ligt‘ (1 Joh. 5 : 19). De duivel moge voor ons een vreemdeling zijn, maar de goddeloze wereld is geen vreemdeling voor hem!

De overste dezer wereld

Bij drie gelegenheden noemde Jezus de duivel ‘de overste dezer wereld’, nl. in Joh. 12 : 31; 14 : 30 en 16 : 11. Hier erkende de Here, dat de duivel, wat de wereld betreft, een hoge positie heeft. Een overste is een bestuurder, wiens rang lager is dan die van een koning. Wij kunnen deze passages in Johannes niet lezen zonder ons te realiseren, dat de duivel grote macht in de wereld bezit. In Lukas 4 : 5, 6 trachtte de duivel Jezus te verleiden door Hem alle koninkrijken der wereld aan te bieden. Nadat hij onze Here alle koninkrijken der wereld getoond had, zei de duivel: ‘U zal ik deze macht geven en hun heerlijkheid, want zij is mij overgegeven, en ik geef haar wie ik wil‘. Onze Heiland gaf niet toe aan deze verleiding, maar evenmin ontkende Hij, dat deze koninkrijken in handen van de duivel waren!

Een overste staat aan het hoofd van een overheid. Paulus begreep dit toen hij schreef: ‘Want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten‘ (Eph. 6 : 12). Helaas zijn velen nog niet tot dit inzicht gekomen. Wij verspillen het grootste gedeelte van onze tijd door met elkaar te twisten en te strijden. Wat zal de duivel grinniken over onze kinderachtigheid en zich verbazen over onze zinloze strijd! Is het een wonder, dat wij vermoeid en afgemat zijn? Wij verspillen onze energie door elkander te bestrijden, terwijl wij vergeten, dat onze werkelijke tegenstander niemand minder dan satan is. Zijn successen in zijn snode pogingen kunnen worden gezien in de vele vetes en twisten onder de kinderen van God; zij kennen de strijd niet tegen de machten der duisternis, die niet van vlees en bloed zijn. Eigenlijk weten de meesten onder de heiligen niet eens wat ‘worstelen tegen overheden en machten’ betekent — als ze al geloven, dat er zoiets bestaat!

De overste van de macht der lucht

In Eph. 2 : 2 vinden we in een andere uitdrukking waarin de macht van de duivel wordt beschreven, nl. ‘de overste van de macht der lucht’. Als hoofd van deze macht wendt hij al zijn invloed in de wereld aan, om de mens aan de begeerten van zijn eigen vlees en geest te laten toegeven en hem ongehoorzaam aan God te doen zijn. De successen, die hij hierbij boekt, liegen er niet om. Eva, de moeder van ons allen, kwam onder zijn macht ten val en rebelleerde tegen Gods wil. Adam volgde. Het gevolg van deze ongehoorzaamheid was de dood (Rom. 5 : 12). Wanneer u de bladzijden van de geschiedenis omslaat, zult u overal één ding met zekerheid ontdekken: zondigende mensen, die rebelleren tegen het Woord en de wil van God. Bovendien komt het mij voor, dat de wetteloosheid en rebellie in onze eeuw zijn toegenomen. Zou het ook kunnen zijn, dat de duivel, wetend dat zijn tijd kort is, harder werkt dan ooit?

Wetteloosheid en rebellie vieren hoogtij. Zij werken ook in de harten van onze kinderen. Overal hoort men de alarmerende smeekbede: ‘Help ons met onze kinderen!’ Dit is een verschrikkelijke zaak. lk ben een vriend van jonge mensen en besteed zoveel tijd als maar mogelijk is, om hen te kunnen helpen. lk heb vele vrienden onder hen! Ik verwijt hen niets — maar we zouden blind zijn als we niet beseffen, dat er een boze geest onder de jongere generatie waart.

Deze wetteloosheid treft men in elke natie aan. Welk een kollossale verwarring heerst er tegenwoordig onder de volkeren! Wat branden er een vuren van haat! ‘Oorlogen en geruchten van oorlogen‘ zijn aan de orde van de dag. Internationale spionnage wordt geaccepteerd als een noodzakelijkheid voor het voortbestaan der naties. Koninkrijken verrijzen of storten in, overal heersen pestilentiën, het aantal valse profeten neemt toe, de hongersnood heerst in de helft van de wereld, de zonde voert alom heerschappij, de liefde van velen verkoelt. Gods volk moet met de Heilige Geest worden vervuld, om de uitdaging van dit uur aan te kunnen. Ons voortbestaan hangt daarvan af!

De duivel als misleider

Als misleider kent de duivel zijn gelijke niet! Hij heeft zoveel succes met zijn bedriegerijen, dat Johannes zei: dat hij ‘de hele wereld verleidt‘ oorbereid!

Misleiding omtrent Gods oprechtheid

De duivel verscheen aan Eva en verleidde haar (1 Tim. 2 : 14). Hij misleidde haar zo volkomen en zo knap, dat het menselijke ras zich hiervan nooit heeft hersteld. Hij wist haar te leiden tot de gedachte, dat God niet meende, wat hij had gezegd. God had betreffende de boom der kennis van goed en kwaad gezegd: ‘Gij zult daarvan niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven‘ (Gen. 2 : 17). Maar de duivel zei: ‘Gij zult geenszins sterven‘ (Gen. 3 : 4). lk geloof niet, dat er iemand is, die zich in ernst afvraagt, hoe dit argument ‘Gij zult geenszins sterven‘ in de wereld is gekomen. Als u vragen hebt op dit punt, wacht dan, totdat u één uwer geliefden moet begraven. U zult dan al uw twijfels in één keer kwijtraken. Men zou denken, dat wij vroeg of laat onze les zouden leren en geloven wat God zegt. Maar wij leven in een tijd, die gekenmerkt wordt door ongeloof. Kan iemand ontkennen, dat de macht van de duivel tegenwoordig groot is in ons land? Eén wandeling op een begraafplaats moet ons meer overtuigen dan het getuigenis van tienduizend mensen, die Gods Woord loochenen — anders zijn wij verblind door ‘de god dezer eeuw’.
Bijzonder traag zijn wij, om te geloven, wat de Here over Zijn terugkeer naar de aarde gezegd heeft. De tijd, waarin wij leven, kan ons alleen maar herinneren aan de woorden van Petrus: ‘Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: Waar blijft de belofte van Zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is‘ (2 Pet. 3 : 3-4).

Misleiding omtrent onze zielen

Wij worden misleid aangaande de grote waarde van onze zielen. Wie van ons spreekt met zijn gezin over zaken, die met de ziel verband houden? Wij bekommeren ons ongetwijfeld om de gezondheid, de opvoeding, het beroep, de sociale positie en het geluk van onze kinderen — en dat is op zichzelf niet verkeerd. Maar laten wij de dingen aangaande hun ziel niet te veel aan henzelf over? Ik heb ouders horen zeggen, dat ze niet willen kiezen voor hun kinderen; ze willen wachten, totdat ze groter zijn en dan tegen hen zeggen: ‘Kies nu maar, welk geloof je wilt aannemen’. Daarmee bekennen ze echter alleen maar, dat zij niet zorgen voor de zielen van hun kinderen! Wat mijzelf betreft; ik heb mijn kinderen hun gehele leven lang mee naar de samenkomsten genomen. Mijn vrouw heeft hen van jongs af verhalen uit de Bijbel voorgelezen. Samen hebben we tegen hen gezegd: ‘Christus heeft ons gered van onze zonde; Hij heeft ons de vrede des harten en een wonderbaarlijke zekerheid voor tijd en eeuwigheid gegeven. Wij hebben ontdekt, dat Hij in alle opzichten wonderbaar is. Wij hopen, dat onze Redder ook jullie Redder zal worden’.

Jezus legde de nadruk op de ziel toen Hij zei; ‘Want wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden?‘ (Marc. 8 : 36). Welke koop betreffende zijn ziel kan een mens met God sluiten? Wat hebben wij, dat God nog niet heeft? Als wij de hele wereld bezaten — en dat is bij ons lang niet het geval — zouden wij dan de wereld tegen onze zielen kunnen inruilen? God zou in één oogwenk duizenden werelden kunnen scheppen! Toch — en dat is een duivelse misleiding — willen we juist aan onze zielen geen aandacht schenken. Het leven is echt, het leven is ernstig en het graf is niet zijn doel. De tekst ‘stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren’ geldt niet voor de ziel!

Maar wij leven maar zelden in het besef van die waarheid. Op de één of andere wijze denken wij, dat de tijd altijd in ons voordeel werkt. Als wij met God in het reine moeten komen, willen we er nog jaren de tijd voor hebben. Wij lezen in Lucas 12 van de 14 man die zei: ‘En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, gij hebt vele goederen liggen, opgetast voor vele jaren, houd rust, eet, drink en wees vrolijk’. En wij lezen, wat God tot de man zei: ‘Gij dwaas, in deze eigen nacht wordt uw ziel van u afgeëist‘. Ondanks deze ernstige waarschuwing, besteden wij toch niet de nodige aandacht aan onze zielen.

Misleiding aangaande de dood

De duivel heeft ons misleid aangaande de dood. Zijn valse leerstellingen over dit onderwerp zijn overvloedig — variërend van de theorie, dat wij als elk dier sterven, tot de theorie, dat de dood eigenlijk niet bestaat. Deze theorieën zijn alle even absurd. De meesten van ons willen de werkelijkheid omtrent de dood niet onder ogen zien. Wij denken licht over de dood als we zeggen, dat een mens ongeacht hoe hij heeft geleefd, het beter zal hebben, als hij dood is. Aldus wordt ‘dood’ een toverstaf, waardoor alle slechte mensen goed en alle goede mensen beter worden. Dit is ongetwijfeld een gruwelijke leugen van de vorst der duisternis.

Vaak durven wij een stervende niet vertellen, dat hij stervende is, uit vrees dat hij van streek zal raken. Dit moge soms gerechtvaardigd schijnen; maar als deze stervende mens nu eens deze éne, allerlaatste kans heeft om berouw te krijgen en zich tot God te wenden om vergeving en verlossing? Als dit nu eens Gods laatste, beslissende oproep aan de betreffende persoon is? lk heb zowel rechtvaardigen als onrechtvaardigen zien sterven. Wat mijzelf betreft — laat mijn einde maar zijn dat van de rechtvaardigen, die de tijd hebben genomen om voor hun zielen te zorgen.

Wij willen de dood negeren, loochenen, er over liegen en er om lachen en zijn maar zelden bereid haar ronduit, eerlijk en Schriftuurlijk onder de ogen te zien. Vaak horen wij zeggen: ‘Het leven is slechts een strijd voor een utopie’, of: ‘Het leven is slechts sterven na de wetenschap, dat wij ons aandeel aan de maatschappij hebben bijgedragen. lk heb het niet zo goed, maar mijn kleinkinderen zullen het na mij veel beter hebben — en dus sterf ik als een moedige, tevreden ziel!’ Deze gedachten komen voort uit het rijk der duisternis. Ze behoren bij zielen, die misleid zijn omtrent het loon van de zonde.

Sommigen zeggen, dat de dood is als een lucifer, die wordt aangestreken, brandt, weer uitgaat en dan ophoudt te bestaan. Anderen zeggen weer, dat het leven is als een vrucht, die rijp wordt en dan van de tak valt. Maar de Bijbel zegt tot de rechtvaardige: ‘Sla de vrome gade en zie op de oprechte, want de man des vredes heeft nakroost‘ (Ps. 37 : 37). En van de goddelozen zegt de Bijbel: ‘De weg der goddelozen is als duisternis‘ (Spreuken 4 : 18, 19).

Het was de duivel die zei: ‘Gij zult geenszins sterven‘ en hij loog toen hij dat zei. Nu tracht hij ons te misleiden omtrent het belang van het bereid zijn voor de dood. Hij misleidt ons aangaande het feit, dat wij eens voor God en Zijn Rechterstoel zullen staan en dan rekenschap moeten afleggen van onze zonden, mislukkingen en verspilde jaren — tenzij wij een Redder vinden, die ons van onze zonden reinigt.

De misleiding kent geen grenzen en wanneer wij ons eenmaal hebben laten misleiden, is dit proces nauwelijks nog te stoppen. De duivel wil ons misleiden omtrent de vreugden van de hemel. Ik ken de kreet van de kinderen van deze eeuw: ‘Geef ons brood op de plank; praat niet over brood in de hemel!’ Zo heeft de duivel ons misleid. Wie die ogen heeft om te zien, handen om te helpen en een medelijdend hart, zou zich niet het vel van de vingers werken, om in de huidige wereld de hongerigen voedsel te bezorgen en de zieken verlichting te geven? Maar op zijn best brengen wij slechts een weinig verlichting in het lijden en voeden wij slechts weinigen van de hongerigen. De problemen van pijn, zonde, ziekte, zorg, verdriet, angst, scheiding, dood en smart om geliefden, die zijn overleden, zijn er nog steeds.

De hemel is het antwoord op dit alles; want in de hemel is geen pijn, zonde, ziekte, zorg, verdriet, vrees, dood, scheiding, onbevredigd verlangen. Wij zijn misleid aangaande de heerlijkheid van de hemel, haar zegeningen en wondervolle gemeenschap. Wij betalen een hoge prijs, als wij de hemel trachten af te schaffen!

Wij zijn misleid omtrent de verschrikking van het verloren zijn. Ons wordt nu verteld, dat boze geesten, elfen, heksen en hel allen onder één noemer kunnen worden gebracht — geen van allen zou in werkelijkheid bestaan! Er wordt gesuggereerd, dat de hel eenvoudig een verzinsel is van een paar schuldbewuste monniken uit de Middeleeuwen. Een dergelijke misleiding is dodelijk! Jezus had veel te zeggen over het verloren-zijn, de smarten en de kwellingen van het vuur, dat niet geblust kan worden. Hij zei er te veel over, om het te kunnen negeren! lk weet niet veel van de hel. lk praat er niet graag over, maar ik wens mij niet te laten misleiden, dat ik in een geestestoestand raak, waardoor ik alles maar op zijn beloop laat en dromend door het leven ga — om aan het eind van mijn leven ruw wakker geschud te worden en te beseffen, dat de dood meer is dan het vullen van een graf. De hel is in het beste geval een plaats van duisternis, hopeloosheid, godloosheid, wroeging en lijden — daarvan kunt u overtuigd zijn.

Wij worden vaak misleid omtrent de wijze van verlossing. En als wij in dit opzicht worden misleid, is al het andere van geen belang meer. “Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet‘ (1 Joh. 5 : 12). Laten wij er voor zorgen, dat wij over deze waarheid niet misleid vvorden. ‘Dit heb ik u geschreven, die gelooft in de naam van de Zoon Gods, opdat gij weet, dat gij eeuwig leven hebt‘ (1 Joh. 5 : 13). Met minder mag u geen genoegen nemen. ‘Want er zijn vele misleiders uitgegaan in de wereld‘ (2 Joh. 7). ‘Maar slechte mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger komen; zij verleiden en worden verleid‘ (2 Tim. 3 : 13). Wat zijn wij vreselijk misleid, als we de weg tot verlossing niet kennen! Wat een leegheid en zelfverwijt als we de weg tot God missen! Welk een vergissing wordt ons opgedrongen — als we niet oppassen! Jezus zei: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het Leven‘ (Joh. 14 : 6). Zorg ervoor, dat u aangaande deze eeuwige zaken niet misleid wordt!

De duivel als de oude slang

De slang is een symbool van het kwade en wordt sinds onheuglijke tijden met valse religies geassociëerd. De slang komt in de legendes van bijna alle landen voor. In Egypte vecht de slang tegen de zon en de maan, maar wordt doorstoken door Horus. De Assyriërs hadden een grote slang, genaamd ‘de vijand der goden’. De Foeniciërs hadden een verhaal over een grote slang, die door de God Kronos (EI) in de onderwereld werd geslingerd. Een oude Perzische religie verhaalde van een boze geest in de vorm van een slang, die de hemel trachtte om te kopen, daarin niet slaagde en toen op de aarde sprong, waar één van de goden met hem vocht. Al deze verhalen, hoewel legendarisch, tonen aan, dat het werk van de oude slang welbekend is! Natuurlijk geloven wij, dat de ware geschiedenis van de slang in de Bijbel opgetekend is.

In de Bijbel wordt de duivel met de slang vereenzelvigd. ‘De oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt‘ (Openb. 12 : 9). Deze naam is hem ongetwijfeld gegeven, omdat hij bij zijn eerste verschijning aan de mens een slang gebruikte. Omdat de slang de duivel toestond hem te gebruiken, werd hij vervloekt onder de dieren. ‘Daarop zeide de Here God tot de slang: Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft‘ (Gen. 3 : 14, zie ook Jes. 65 : 25). De eerste profetische Bijbelplaats toont het conflict tussen de slang en de Verlosser: ‘En ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de hiel vermorzelen‘ (Gen. 3 : 15). Toen Jezus tot de Schriftgeleerden en de Farizeeën sprak en hun verdorvenheid aan de kaak wilde stellen, zei Hij: ‘Slangen, adderengebroed, hoe zult gij ontkomen aan het oordeel der hel?‘ (Matth. 23 : 33). Hij, die dodelijk, verstandig en subtiel is als de slang, is heden onder ons werkzaam.

De slang als verleider

En de vrouw zeide: de slang heeft mij verleid en toen heb ik gegeten‘ (Gen. 3 : 14).

Evenals de slang is de duivel listig en sluw. Zelden valt hij openlijk de waarheid aan. Veeleer tracht hij ons wijs te maken, dat het evangelie te eenvoudig is om te geloven. ‘Maar ik vrees, dat misschien, zoals de slang met haar sluwheid Eva verleidde, uw gedachten van de eenvoudige (en loutere) toewijding aan Christus afgetrokken zullen worden’ (2 Cor. 11 : 3). De zonde heeft ons hoogmoedig gemaakt, en de oude slang gebruikt die hoogmoed, om ons onder zijn controle te krijgen. Hij weet, dat wij van hoogdravende titels en gezwollen woorden houden. Paulus zag dit in de Geest en waarschuwde: ‘Want ik stel er prijs op, dat gij weet, hoe zware strijd ik te voeren heb voor u, en voor hen, die te Laodicéa zijn en voor allen, die mijn aangezicht niet hebben gezien in het vlees, opdat hun harten getroost en zij in de liefde verenigd worden tot alle rijkdom van een volledig inzicht, en zij het geheimenis Gods mogen kennen, Christus, in wie al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn. Dit zeg ik, opdat niemand u met drogredenen misleide‘ (Col. 2 : 1-4). Laten wij op onze hoede zijn voor geestelijke abnormaliteiten, wanneer het om dingen gaat, die de verlossing van de ziel betreffen. Laten wij op onze hoede zijn voor de duisternis. Jezus zei, dat Hij ‘het Licht der wereld‘ is.

Als Satan mensen er toe verleid heeft, zijn helpers te worden, verschijnen zij niet als personen met een weerzinwekkend uiterlijk, maar als apostelen van Christus. Wij beseffen vaak niet, dat Satan zich tot het uiterste inspant om te winnen en daarbij voor geen enkele methode terugdeinst. De Heilige Geest zegt door Paulus het volgende: ‘Want zulke lieden zijn schijnapostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus. Geen wonder ook! Immers de satan zelf doet zich voor als een engel des lichts. Het is dus niets bijzonders, indien ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren der gerechtigheid; maar hun einde zal zijn naar hun werken‘ (2 Cor. 11 : 13-15). De communisten zijn niet de eersten, die aan het systeem van infiltratie dachten — en zij zijn ook niet de gevaarlijksten.

Als de satan ons niet door pure, aanmatigende macht kan verpletteren — en dat kan hij niet als wij voet bij stuk houden — zal hij ons benaderen op de wijze waarop de Gibeonieten zich destijds tot de kinderen Israëls wendden: ‘Wij zijn uw knechten, sluit dan nu een verbond met ons‘ (Jozua 9 : 11). Hij zal vroomheid, list of valse nederigheid gebruiken, om u te verleiden — weest op uw hoede!

De slang is wreed

Wij moeten ons bewust worden van het feit, dat de duivel geen heer is; hij is even wreed als sluw. Deze eigenschap behoort bij zijn slangenaard. Jezus zei, dat de duivel ‘een mensenmoorder was van den beginne‘ (Joh. 8 : 44). Wanneer wij lezen van iemarid, die van de duivel of één van zijn demonen bezeten is, lezen wij nooit, dat zo iemand bij zulk een bezetenheid enige hulp of baat vindt. In plaats daarvan lezen wij, dat dergelijke lieden die ‘deerlijk bezeten‘ (Matth. 15 : 22) zijn, beklagenswaardig zijn. In Marcus wordt ons verteld van een man, die ‘in de graven en in de bergen was, schreeuwende en zichzelf met stenen slaande‘ (Marcus 5 : 5). Petrus sprak van sommigen, die ‘door de duivel overweldigd waren‘ (Hand. 10 : 38). Wij lezen van anderen, die met onreine geesten vervuld waren (Lucas 4 : 36). Medelijden is niet één van de eigenschappen van de duivel.

Onze onwetendheid aangaande het karakter van de duivel doet mij denken aan het verhaal van een stervende. Deze man antwoordde op het verzoek van zijn predikant, de duivel te wederstaan: ‘Maar ik maak niet graag onnodig vijanden’. Wij maken de duivel niet tot onze vijand — hij is het al. Hij heeft zelf besloten onze vijand te zijn. In Openb. 12 : 12-17 lezen wij, dat hij een grote grimmigheid heeft, het karakter van een draak; hij vervolgt onschuldigen en voert oorlog met degenen, die van God getuigen. Heeft u ooit opgemerkt, dat er meer wreedheid in een land heerst naarmate het evangelie er minder wordt verkondigd? En God weet, dat er al genoeg wreedheid heerst in de beschaafdste en meest Christelijke landen. De duivel kent geen genade, barmhartigheid, vriendelijkheid of liefde. Het zijn de heiligen, die van hun Christus zingen: ‘Genade van God, zo rijk en vrij’.

De duivel en zijn listen

De satan is zo scherpzinnig en zo bedreven in het kwade en hij weet zo goed het tijdstip van zijn verlokkingen te kiezen, dat Paulus ons aanraadt, niets minder te doen dan ‘de wapenrusting Gods aan te doen, om te kunnen standhouden tegen de verleiding des duivels’ (Eph. 6 : 11). Laten wij niet de vergissing begaan, om te denken, dat wij de duivel in onze eigen kracht kunnen verslaan — wij zullen telkens weer de nederlaag lijden! De vermaning: ‘Voorts, weest krachtig in de Here en in de sterkte Zijner Macht‘ (Eph. 6 : 10) is niet overbodig.

De duivel als aanklager

Eén van de listen van de duivel is zo bekend, dat hij er één van zijn namen aan te danken heeft: ‘de aanklager’. Het beschuldigen van gelovigen is één van zijn oude listen, die ook vandaag nog wonderbaarlijk goed werkt.

Job 1 geeft ons een goed inzicht in de werkwijze van de duivel. In dit hoofdstuk beschuldigt hij zelfs God door te zeggen: ‘Hebt Gij zelf niet hem en zijn huis en al wat hij bezit aan alle kanten beschut?‘ (Job. 1 : 10). Dit was een beschuldiging, dat Job God diende met het oogmerk, om er in materieel opzicht beter van te worden. Toen dit niets uithaalde, zei de satan, dat Job God ter wille van zijn gezondheid diende: ‘Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven. Strek daarentegen uw hand uit en tast zijn gebeente en zijn vlees aan — of hij U dan niet openlijk zal vaarwel zeggen! ‘ (Job 2 : 4, 5). Job bewees echter dat de duivel een leugenaar is!

In Mattheüs 4 en Lucas 4 vinden wij het verslag van de aanval van de satan op Christus d.m.v. drie subtiele beschuldigingen. Ten eerste, dat Christus niet werkelijk Gods Zoon is: ‘Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dan, dat deze stenen broden worden‘. Ten tweede, dat God niet werkelijk voor Hem zorgde: ‘Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelf dan naar beneden; er staat immers geschreven: Aan Zijn engelen zal Hij opdracht geven aangaande u, en op de handen zullen zij u dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot‘. Ten derde, dat God Zijn woord, om de Zoon erfgenaam van alle dingen te maken, niet zou houden: ‘Dit alles zal ik U geven, indien Gij U nederwerpt en mij aanbidt‘.

Gedurende de tijd, dat de Here op aarde leefde, richtte de satan onophoudelijk zijn aanvallen op Hem. ‘En zij legden Hem de vraag voor, of het geoorloofd is op de sabbat te genezen, om Hem te kunnen aanklagen‘ (Matth. 12 : 10). Dit ging zo door tot in de laatste dagen van Zijn leven hier op aarde. Toen Hij terechtstond ‘brachten de overpriesters en oudsten beschuldiging tegen Hem in‘ (Matth. 27 : 12). De allerlaatste beschuldiging kwam tijdens de kruisiging zelf: ‘En boven Zijn hoofd brachten zij op schrift de beschuldiging tegen Hem aan: Dit is Jezus, de Koning der Joden‘ (Matth. 27 : 37).

Hij klaagt de broeders aan

In Openb. 12 : 10 lezen wij, wat de ondervinding ons reeds heeft geleerd, nl. dat de satan een aanklager van de heiligen is. ‘Want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is nedergeworpen‘. Het schijnt, dat er geen grenzen zijn aan zijn venijnige pogingen, Gods plannen te verijdelen. Ik geloof dat, wanneer hij ons voor God aanklaagt, hij de waarheid over ons vertelt. Daarom moeten wij weten, dat Jezus ‘ons niet om werken der gerechtigheid, die wij zouden gedaan hebben, doch naar Zijn ontferming door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door den Heiligen Geest gered heeft‘ (Titus 3 : 5). Wij kunnen nooit onze eigen rechtvaardigheid ter verdediging van onszelf aanvoeren. En wanneer Christus onze pleitbezorger is, is Hij dat alleen vanwege de verdiensten van Zijn eigen rechtvaardigheid.

Wanneer de vijand ons persoonlijk met zijn beschuldigingen aanvalt, zal hij leugens of waarheid gebruiken — al naar gelang wat hem het best uitkomt. ‘Dag en nacht’ zet hij zijn aanval voort. Heeft u wel eens opgemerkt, dat ’s nachts de zaken er minder rooskleurig uitzien en de verzoeking ernstiger lijkt? lk ben er zeker van, dat de duivel weet, hoe de nacht ons beïnvloedt en dat hij daarvan ten volle gebruik weet te maken. Hij wil God er van beschuldigen, Zijn Woord niet te houden: ‘Heeft God u dat gezegd?‘ Hij wil ons er toe overhalen te geloven, dat God Zijn beloften aan ons niet houdt, dat God ons niet wil helpen en dat Hij ons in werkelijkheid helemaal niet liefheeft. Of hij zal ons ervan beschuldigen, nutteloos en waardeloos te zijn, geen persoonlijkheid of talenten van enige waarde te bezitten. Velen worden wanhopig onder deze aanvallen en zeggen dan, dat zij hun best gedaan hebben, maar dat desondanks alles nog veel erger werd en het daarom zinloos is zich nog langer te vermoeien. Verwar echter de tijd niet met de eeuwigheid! Beproevingen en moeiten zijn ons deel in dit leven, maar de overwinning zal zeer spoedig komen. Thans kan de aanklager nog zijn gang gaan en zijn wij het voorwerp van zijn haat. Maar bedenk, dat de duivel een leugenaar is van den beginne. Alleen wat wij in Christus zijn, is belangrijk en doorslaggevend.

De duivel als tegenstander

Wij weten uit ervaring, dat als de duivel ons niet op de ene manier kan doen struikelen, hij proberen zal ons op een andere wijze in zijn macht te krijgen. Soms werkt hij als onze tegenstander — iemand die tegen een ander strijdt, een opponent, een vijand. Nu eens is zijn tegenstand openlijk, dan weer voert hij zijn strijd achter de schermen.

Hij is een tegenstander van God. Zijn tegenstand is soms opzienbarend. Dit zal straks het geval zijn, als hij gebruik zal maken van de mens der wetteloosheid, ‘die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is‘ (2 Thess. 2 : 4). De tegenstander was wellicht nog nooit zo actief of toornig, als toen hij zijn aanvallen tegen de Here Jezus ontketende. Hij probeerde Hem reeds als baby te vernietigen. Toen Christus volwassen was, probeerde de tegenstander Hem eens van een steile rotswand te duwen. Een andere keer probeerde hij Hem de verdrinkingsdood te laten sterven. Hij probeerde Hem te doen struikelen, in de val te laten lopen, van Gods verlossingsplan af te brengen. Op alle mogelijke manieren poogde hij Jezus te doden om de kruisdood — de dood waardoor de Schriften vervuld zouden worden (zie vooral Psalm 22 en Jesaja 53) — te verhinderen.

Soms zal de duivel middelen tegen ons gebruiken, waarin wij hem niet zo gemakkelijk zullen herkennen. ‘Er kwam een tijd dat Jezus Zijn discipelen begon te tonen, dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel lijden van de zijde der oudsten en overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en ten derden dage opgewekt worden‘. (Matth. 16). Maar Petrus was het hiermede helemaal niet eens. Volgens hem moest het anders lopen. Hij raakte hierdoor zo zeer overstuur, dat hij de Heer ter zijde nam ‘en Hem begon te bestraffen, zeggende: Dat verhoede God, Here, dat zal U geenszins overkomen!‘ Ik denk dat ik, als ik daar geweest was, het met Petrus eens zou geweest zijn. Deze dingen, waarvan Jezus zei, dat die Hem zouden overkomen, waren onrechtvaardig. Ik denk, dat ik schouder aan schouder met Petrus zou hebben gestaan en de Here zou hebben laten weten dat er, zo lang wij, Petrus en ik, er nog waren, niet zulke dingen met Hem zouden gebeuren! En dan zou ik een pluim verwacht hebben voor mijn Christelijke moed en overtuiging! Maar Jezus doorzag dit en kende de bron van deze gedachten. Hij zei tot Petrus: ‘Ga weg, achter Mij satan; gij zijt mij een aanstoot, want gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die der mensen‘ (Matth. 16 : 23). Jezus zag, dat de satan achter de schermen zijn werk had gedaan.

De tweede keer leerde Petrus zijn les beter. Bij een andere gelegenheid, zei de Here tot Petrus: ‘Zie, de satan heeft verlangd ulieden te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken. En gij, als gij eenmaal tot bekering gekomen zijt, versterk dan uw broederen‘ (Lucas 22 : 31, 32). Petrus antwoordde met woorden die zo veel betekenden als: ‘Maakt U zich over mij maar geen zorgen, Heer; ik heb nu vaste grond onder de voeten’. In werkelijkheid zei hij het volgende: ‘Here, met U ben ik bereid ook gevangenis en dood in te gaan!‘ Maar Petrus leerde een les uit de woorden van de Here en het kraaien van de haan. Hij weende bitter om zijn falen en waarschuwde daarna voor de boze, die rondwaart om te zien, wie hij kan verslinden!

Om zijn wil door te drijven, werkt de satan achter de schermen en gebruikt daarvoor zelfs familieleden en vrienden. God alleen weet, hoeveel vaders, moeders, zusters en broers iemand, die de Heer wilde dienen, in de weg hebben gestaan. Hoe verbaasd zouden deze mensen zijn, als ze wisten, dat ze instrumenten in de handen van de tegenstander van God en de mens waren.

De satan is een tegenstander van de mens

Wij zouden niet verwachten, dat iemand, die zich tegen God verzet, ten koste van alles de mensheid bestrijdt. Paulus vond dat dit wèl het geval was en zei dat hij en zijn metgezellen bij verschillende gelegenheden bepaalde dingen hadden willen doen: ‘doch de satan heeft het ons belet‘ (1 Thess. 2 : 18). Er zijn vele manieren, waarop satan ons probeert te hinderen. Hij is bereid tot het uiterste te gaan, om aartsrebellen van ons te maken, of hij zal eenvoudig tweedracht in gezinnen zaaien. Als wij vergeten thuis hoffelijk en vriendelijk tegen de ander te zijn, kan dit zelfs ons gebedsleven belemmeren (1 Petr. 3 : 7).

Hij bestrijdt Gods Woord

Wij zien satans openlijk verzet tegen Gods Woord, als wij in de geschiedenis terugblikken. De apostelen van de Here werden aangevallen. Met uitzondering van Johannes stierven allen de martelaarsdood. Kijk naar de eerste vervolgingen van de kerk, tien in getal, tijdens welke duizenden Christenen omkwamen. Welke andere bedoeling kon de satan hebben, dan Christenen te bestrijden, die Gods Woord overal uitdroegen? De vervolging van Gods kinderen is nooit verflauwd.

Slaat u eens acht op de aanval op Gods Woord — de Bijbel. Nooit is er een boek geweest, dat zo bestreden en gehaat wordt als de Bijbel. De geschiedenis van de bewaring en het behoud van Gods Woord is één van de meest opwindende en inspirerende geschiedenissen van alle tijden. De satan en al zijn trawanten hebben alle mogelijke listen van theologie en wetenschap toegepast in hun pogingen de Bijbel te vernietigen.

Speciaal in onze tijd is hij bijzonder actief. Zijn huidige methode is niet te verhinderen, dat Gods Woord wordt gedrukt, maar twijfels op te werpen omtrent haar inspiratie, echtheid, geloofwaardigheid en gezag. Het accepteren van de Bijbel als het gezaghebbende Woord van God wordt tegenwoordig als onwetendheid gebrandmerkt! De wonderen zijn van het wonderbaarlijke beroofd; Gods wetten zijn verworpen als zijnde ouderwets; de woorden van Jezus zijn verdraaid en het komende oordeel wordt ontkend; men spot over de eeuwige straf en zonde wordt afgedaan als zijnde oudewijvenpraat. De geschiedenis van ‘de schepping van de mens wordt ingeruild voor de theorie, ontstaan in de brein van iemand, die zich van God afkeert. Als onze afstamming onbekend is en wij een orang oetan als grootvader hebben, dan zijn inderdaad zonde, verlossing en oordeel slechts mythen! De volle waarheid is echter, dat wij door Gods Hand zijn geschapen — onze huidige toestand toont alleen maar aan, dat een toornige duivel zeer actief bezig is, het eeuwige Woord van God te ondermijnen. Let u ook eens op de tegenstand, die de hedendaagse zendelingen, die het evangelie van Christus verkondigen, ondervinden. Op elk gebied, dat zij trachten te betreden, ontmoeten zij vijandigheid.

Er was een tijd, nog niet zo lang geleden, dat het aantal zendelingen, dat in het graf lag bijna even groot was als het aantal, dat leefde en werkte. Maar zendelingen marcheren over de graven van hun collega’s verder en gaan door met hun werk. Dus probeert de duivel weer iets anders: hij zorgt er voor dat de gemeente, die de zendelingen behoort te steunen, in een diepe slaap valt. Wij zijn traag, egoïstisch, zelfvoldaan en slaperig. De zaak van Christus lijdt schade, omdat wij ons niet bewust zijn van satans huidige tactiek van tegenstand. Wij behandelen Christus’ geboden als een geestelijk spel voor volwassenen, die daaraan deel kunnen nemen, als ze er zin in hebben. Wij hebben nog niet begrepen, dat het de duivel volle ernst is, terwijl wij net doen, alsof het slechts spel is.

Het juiste beeld is: ‘Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Wederstaat hem, vast in het geloof‘ (1 Petrus 5 : 8, 9).

Dit is geen strijd, die alleen maar in het verleden werd gestreden — dit is een strijd die ook vandaag in alle hevigheid woedt.

De overwinning over de duivel

Het kennen van onze positie

Als onwetendheid gelukzaligheid betekende, zou het dwaas zijn om wijs te zijn — maar onwetendheid is geen gelukzaligheid! ‘Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend’ (2 Cor. 2 : 11). Wij moeten echter meer kennen dan satans gedachten — wij moeten weten, wat ons door de genade Gods ten deel is gevallen. Om de aanvallen en aanklachten van satan te kunnen weerstaan, moeten wij weten, welke rechten en voorrechten wij in Christus Jezus bezitten. Weliswaar vormen de namen van de duivel samen een enorme lijst, maar nergens wordt ons geleerd, dat wij hem moeten vrezen. Veeleer wordt ons geleerd ‘dat wij ons in geen enkel opzicht door de tegenstanders moeten laten beangstigen‘ (Phil. 1 : 28). Wij maken ons vaak schuldig aan het feit, dat wij de duivel meer vrezen dan God. Elke Christen behoort te weten, dat Christus aan het kruis ‘de overheden en de machten ontwapend en openlijk ten toon gesteld en zo over hen gezegevierd heeft‘ (Col. 2 : 15). ‘Wij zijn meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad’ (Rom. 8 : 37). En Paulus geeft ons de waarschuwing: ‘En geeft de duivel geen voet‘ (Eph. 4 : 27).

Bovendien behoren wij te weten, wat onze positie in Christus is — welke voorzieningen Hij heeft getroffen voor degenen, die op Hem hun vertrouwen hebben gesteld. Deze voorzieningen zijn te groot in aantal, om ze hier allemaal te kunnen opnoemen. Enkele van deze voorzieningen zijn: rechtvaardiging en vrede met God (Rom. 5 : 1, 2); verlossing uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde; in Wie wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden (Col. 1 : 13, 14). Wij hebben toegang tot God (Rom. 5 : 2) en mogen daarom ‘met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd‘ (Heb. 4 : 16). Wij hebben ‘de volheid verkregen in Hem, Die het Hoofd is van alle overheid en macht … doordat Hij het bewijsstuk uitwiste, dat door zijn inzettingen tegen ons getuigde en ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan, door het aan het kruis te nagelen’ (Col. 2 : 10, 14). ‘Maar wèl getrouw is de Here, die u sterken zal en u bewaren voor de boze‘ (2 Thess. 3 : 3). Het is onze onbekendheid met Gods Woord, waardoor wij een gemakkelijke prooi worden van de duivel. Wij zijn vaak overstuur en teleurgesteld, omdat wij de rechten, die wij als kinderen van onze Hemelse Vader hebben, niet kennen of erkennen. Denkt u eens aan de kracht, die er ligt in het volgende Schriftgedeelte: ‘En Hij, onze Here Jezus Christus, en God, onze Vader, die ons heeft liefgehad en ons eeuwige troost en goede hoop door Zijn genade verleend heeft, trooste uw harten, en make u sterk in alle goed werk en woord‘ (2 Thess. 2 : 16, 17).

Hoe nemen wij datgene, waar wij recht op hebben, in bezit ?

Het is niet voldoende, dat wij weten waar wij recht op hebben. Wij moeten ook alle rechten opeisen, die de Here voor ons heeft verworven. De duivel zal u, als hij daartoe de mogelijkheid ziet, afstand laten doen van uw bezit en hij deinst er niet voor terug, om dat steeds maar weer te proberen. Wij zijn zwak in het geloof, omdat wij ons bezit niet werkelijk in bezit genomen hebben. Het geloof neemt, wat God heeft beloofd; en als wij niet nemen, wat wij nodig hebben voor een leven van overwinning, zullen wij niet leven in overwinning.

Het in bezit nemen van de dingen, waarop wij recht hebben, is dus een tweeledige zaak: Door de voorzieningen van de Here aanvaarden wij door het geloof, wat wij nodig hebben — en weigeren wij ook maar aan één van satans suggesties toe te geven. Jacobus zegt het als volgt: ‘Maar Hij geeft dan ook des te groter genade. Daarom heet hèt: God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederige geeft Hij genade. Onderwerpt IJ dus aan God, maar biedt wederstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden‘ (Jac. 4 : 6, 7). Wanneer wij onze bevoorrechte positie in Christus niet innemen, vervallen wij vaak tot een leven vol zorg, strijd, spanning, mislukking en bitterheid. Dit was nooit Gods bedoeling voor Zijn volk. Door de genade van God en ‘in Christus’ bevinden wij ons in de positie van overwinning: ‘En dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof’ — het geloof, dat Jezus de Zoon van God is (1 Joh. 5 : 4, 5). Wij moeten wel gegrond en standvastig blijven in het geloof en ons niet laten afbrengen van de hoop van het evangelie (Col. 1 : 20-29).

Hoe houden wij onze rechten vast ?

Wanneer wij onze rechten kennen, eisen wij die op en nemen wij, wat van ons is, in bezit. Maar daar is alles nog niet mee gezegd. De verleidingen, ontmoedigingen, twijfels en zorgen zullen niet ophouden. De tegenstander is nog steeds actief. Indien wij eenmaal onze positie hebben ingenomen, moeten wij daarin staande blijven: ‘Want door het geloof staat gij vast‘ (2 Cor. 1 : 24). David kende deze waarheid en kon zeggen: ‘Ik stel mij de Here bestendig voor ogen; omdat Hij aan mijn rechterhand staat, wankel ik niet‘ (Ps. 16 : 8 en Hand. 2 : 25).

Velen onder de kinderen van God beseffen niet, dat zij niet hoeven toe te geven als de duivel hen tracht te verleiden. Als zij standvastig blijven, moet hij zich terugtrekken. Het is deze waarheid, die Paulus zo duidelijk in Eph. 6 : 10-18 uiteenzet. De sleutel van deze uiteenzetting is vers 13: ‘Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden’. Geef uw positie niet op. U staat op vaste grond, die u toebehoort. De duivel begeeft zich buiten het toegestane terrein en dat weet hij ook, als u maar standvastig blijft. ‘Standvastig blijven’ betekent niet alleen uw positie vast te houden. Het betekent, deel te nemen aan de strijd en te overwinnen.

Eens zal onze strijd voorbij zijn en zal de duivel zich in de voor hem bestemde gevangenis bevinden (Matth. 25 : 41 en Openb. 20 : 10). Tot dat moment wandelen wij op deze wereld als kinderen van de Hemelse Vader, die voor de Zijnen reeds alle noodzakelijke voorzieningen heeft getroffen. Hij heeft beloofd ons nooit te zullen verlaten. Hij heeft beloofd ons te leiden, te behoeden en te schragen. Hij heeft beloofd in ons te werken, opdat wij de dingen, die Hem behagen, willen en zullen doen (Phil. 2 : 13). Als kinderen Gods moeten wij onze rechten kennen en ons erfdeel in bezit nemen en daarbij niet de vele voorbeelden van ongeloof volgen. Wij moeten standvastig zijn, wetend, hoe we onze wapens moeten hanteren! Laat ons sterk zijn in de Here en in de sterkte van Zijn macht. Laten wij slechts God vrezen en daarbij niet vergeten, dat Hij ‘ons voor struikelen kan behoeden en onberispelijk doen staan voor zijn heerlijkheid in grote vreugde‘ (Judas 24). Laat voor altijd ons motto zijn: ‘Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus‘ (1 Cor. 15 : 57). Laat Zijn lof in onze monden zijn en Zijn kracht in onze harten.

Hem nu, die blijkens de kracht, welke in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid, Amen‘ (Eph. 3 : 20, 21). 31

Laat een antwoord achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *