Bevorderd tot Heerlijkheid

Inleiding

De titel van deze brochure is een uitdrukking, die dikwijls gebruikt wordt als een broeder of zuster sterft (ontslaapt) en naar de Here toe gaat. Hij of zij wordt “tot heerlijkheid bevorderd”, zegt men dan. Als we de Bijbel lezen, blijken deze woorden echter niet alleen te slaan op het ontslapen van een gelovige. In wezen gelden ze ook al op het moment dat iemand tot het geloof in de Here Jezus Christus komt.

Aanvaardt iemand Hem als zijn of haar persoonlijke Verlosser van de zonde, dan wordt die persoon op dát moment bevorderd tot heerlijkheid.

Is iemand eenmaal tot geloof gekomen dan ontstaat er namelijk een hele speciale situatie: Er is niet alleen hoop gekomen op iets beters hierna, maar in principe heeft hij dat “beters” al ontvangen toen hij tot geloof kwam!

Er is de hoop ( = zekere verwachting) bevorderd te worden tot heerlijkheid (Rom.8:18) en er is de zekerheid deze heerlijkheid reeds te bezitten (Rom.8:30). Aan de ene kant heb je het al ontvangen, aan de andere kant krijg je het nog. Beide zijn op hetzelfde tijdstip volkomen waar.

Hoe is dit mogelijk?

HOOFDSTUK 1

Uit evenwicht

Is iemand ongelovig dan bezit hij de oude (zonde)natuur en leeft hij in het oude lichaam. Een volkomen “natuurlijke” situatie. Er is een gelijkwaardigheid tussen de oude natuur en het oude lichaam. Gelijkwaardig in dre zin dat beiden aan de zonde onderworpen zijn. Paulus schrijft in Efe.2:1 over de staat van gelovigen vóór zij tot geloof kwamen:

“… gij waart dood door uw overtredingen en zonden…”

Wat de wereld betreft leefden we misschien wel, maar voor God waren we dood, d.w.z. gescheiden van Hem. Immers het loon van de zonde is de dood (Rom.6:23).
Er was niet alleen evenwicht binnen het wezen van ons als natuurlijke, ongelovige mens, ook tussen ons en de wereld was er die gelijkwaardigheid:

“… gij hebt vroeger gewandeld overeenkomstig de loop dezer wereld…” (Efe.2:2).1)

Omdat wij overeenkomstig deze wereld geleefd hebben, leefden we ook naar de wil van hem, die het in het tijdperk van deze aan de vruchteloosheid onderworpen wereld (de tegenwoordige eeuw) voor het zeggen heeft:

“… gij hebt gewandeld overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest, die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid…” (Efe.2:2).

1) Lett. wordt hier i.p.v. “loop” gesproken over de “eeuw” (aioon) of “het tijdperk/de toestand” van deze wereld.
In het geval van Efe.2:2 moeten we hierbij denken aan het karakter van de tijd waarin deze gevallen wereld bestaat.

De wereld, zoals we die nu om ons heen zien, bevindt zich in een tijd, waarin de tegenstander van God, satan, de overste is. In 2 Cor.4:4 wordt hij zelfs de god dezer eeuw genoemd, die de overleggingen van ongelovigen met blindheid heeft geslagen…
Hoewel we het ons misschien niet bewust waren stonden wij onder zijn bestuur, toen wij nog ongelovig waren; wij waren van nature “kinderen des toorns”… Hieruit blijkt dat God de mens ziet zoals hij werkelijk is. Een tussenweg is er niet. Of het leven of de dood; Of kinderen des lichts of kinderen des toorns.

Voor de gelovige geldt dat God hem uit dit tegenwoordige boze tijdperk, uit deze wereld getrokken heeft; Hij heeft ons verlost van de macht der duisternis (zie Ga1.1 :4 en Col.1 :13):

“God echter, Die rijk is aan erbarming, heeft, om Zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons (…) mede levend gemaakt MET CHRISTUS (…), mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, IN CHRISTUS JEZUS…” (Efe.2:4-6).

Dit alles is ons “overkomen” door ons vertrouwen te stellen op onze Here Jezus Christus. Heeft u Hem aanvaard? Het is zo gemakkelijk om te zeggen dat je Hem kent. Het is zo gemakkelijk om te zeggen dat Hij de zonden van deze wereld op Zich genomen heeft. Het is zo gemakkelijk te zeggen dat Hij de Zoon van God is. Maar hebben wij Hem ook werkelijk aanvaard als Heer in ons leven? Kennen wij Hem in de zin dat wij leven in een levende relatie met Hem? Zijn wij ons bewust geworden van onze zondelast en heeft Hij ons daarvan verlost?
Geloven in de Here Jezus is voldoende. Geen werken, geen “rechtvaardige daden”, geen verplichtingen, doch geloof alleen. En dan ontvangen we de genadegave van God: het behoud (Efe.2:8)!

En hiermee zijn wij weer terug bij ons uitgangspunt (zie de inleiding): De heilsfeiten waaraan wij deel hebben, hebben twee kanten. Efe.2:8 zegt “door genade zijt gij behouden”, terwijl Rom.8 spreekt over de hoop van het moment waarop dat behoud zichtbaar wordt. We zijn behouden en zullen behouden worden. We zijn verheerlijkt (“bevorderd tot heerlijkheid”) en zullen verheerlijkt worden. Wij hebben alles ontvangen (1 Cor.3:21) en zullen als medeerfgenamen in Christus alle dingen ontvangen (vgl.Rom.8:1 7 met Heb.1:2). Wij zijn hemelburgers (Fil.3:20) en zullen naar de hemel gaan (1 Thess.4:13-1 8).

Zoals we zagen zijn we in Christus in de hemelse gewesten geplaatst. Wij bevinden ons echter nog in ons oude lichaam, het lichaam dat (nog steeds) aan de zonde onderworpen is.
Was er, toen wij nog niet tot geloof gekomen waren, een evenwicht, een gelijkwaardigheid tussen de oude natuur en het oude lichaam, door het geloof zijn we wat dat betreft uit evenwicht geraakt. We zijn wedergeboren, opnieuw geboren uit God, van boven. Onze nieuwe, Goddelijke natuur is volkomen ongelijkwaardig met ons oude lichaam. Deze Goddelijke natuur, ook wel de “inwendige mens” of “nieuwe mens” genoemd, woont, zolang we ons nog hier op aarde bevinden, in een lichaam dat wel aan de zonde en de gevolgen daarvan onderworpen is.
Sommigen opperen wel eens dat je als gelovige ook een lichaam hebt, dat niet meer onderworpen is/hoeft te zijn aan de zonde, evenals de nieuwe natuur. Zij zeggen dan: “Een gelovige hoeft niet meer ziek te zijn…”
Dat dit een on-Bijbelse (en daarmee onware) gedachte is, blijkt uit de praktijk van alle dag. Immers, naast het feit dat gelovigen ook wel eens ziek zijn (wat dan zou liggen aan een gebrek aan geloof), worden zij ouder en ontslapen uiteindelijk. De reeds eerder genoemde tekst uit Rom.6 zegt heel duidelijk: “Het loon dat de zonde geeft is de dood…” Onze lichamen zijn nog aan de zonde onderworpen, verouderen daarom en gaan uiteindelijk dood. Onze nieuwe mens is echter uit God geboren en zal niet meer sterven. … al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochthans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd…” (2 Cor.5:1).

Wij leven dus als nieuwe mensen met een nieuwe natuur nog in het oude lichaam, de “aardse tent”. Dit is er de oorzaak van dat we enerzijds met alle geestelijke zegen gezegend zijn in de hemelse gewesten in Christus (Efe.1:3) en dat anderzijds deze dingen nog niet zichtbaar zijn voor het oog van onze aardse tent. Wij zien het hooguit door de verlichte ogen van ons hart.
De verlossing, waarmee God ons verlost heeft, is een totale verlossing. Het betreft niet alleen de inwendige mens, maar ook de uitwendige. Het totale menselijke wezen is verlost. Alleen gaat dit in fasen. De innerlijke mens is verlost, behouden en in de hemel gezet toen we tot geloof kwamen, wat de uiterlijke mens betreft leven we nog in de hoop behouden te worden.

“… wij zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van het lichaam. Want in die hoop zijn wij behouden” (Rom.8:23, 24).

HOOFDSTUK 2

Bevorderd tot heerlijkheid

Is iemand tot levend geloof gekomen in de Here Jezus Christus, dan ontvangt hij een positie in Christus, die volmaakt is, waar niets meer aan toe te voegen is.

Helaas wordt dit maar in weinig gevallen de “jonggelovigen” gezegd. En voor zover ze hier iets van meegedeeld wordt, krijgt vervolgens alleen de praktijk van het geloofsleven nog maar de aandacht. En komt (in zgn. “praktische Bijbelstudie”) aan bod, wat er van ze verwacht wordt (van de zijde van medegelovigen, gemeente of kerk). En op wat voor wijze ze de zonde in hun levens kunnen overwinnen.
Enerzijds hebben ze gehoord, wat ook de apostel Paulus ons leert, dat ze door genade totaal anders geworden zijn en dat het alles volbracht is. Anderzijds worden ze geconfronteerd met allerlei studie’s, waardoor ze, als gelovigen dan “bijgeschaafd” moet worden… om te bereiken wat hij al heeft. Dit is een reden dat veel gelovigen zo weinig weten van hun positie en voor zover ze het weten, hebben ze niet geleerd er vanuit te leven, omdat ze er meteen bij bepaald werden dat er voor hen nog heel wat te “doen” is.

Wanneer wij oprecht met het Woord bezig zijn en daarin ontdekken wat Gods Plan is, dat Hij in Christus volvoert, heeft dat altijd zijn uitwerking in de praktijk. Wanneer we oog krijgen voor het Heilsplan, krijgen we oog voor de bijzondere tijd waarin we leven en de positie waarin we gesteld zijn. Ja, dan gaan we zien wat Gods Plan met onze levens is. En dat heeft gevolgen voor de praktijk van alle dag. Dat is een werking van de Geest!

Dan gaan we elkaar niet prijzen in verband met de groei die iemand in zijn of haar leven heeft meegemaakt, nee, dan danken we God daarvoor. Leer te zien dat de praktijk van het geloofsleven verweven is met de positie in Christus. God Zelf ziet ons immers zoals we zijn in
Christus. Zien we onszelf (en elkaar!) ook zo?! Doen we dat niet, dan komen we alleen maar tot de ontdekking, hoe gebrekkig weven nature zijn. En dan komt meteen het gevaar om de hoek kijken dat we bezig gaan met het verbeteren van onze oude mens, die altijd werken wil, altijd wil proberen het goede te doen, zich altijd rechtvaardigen wil. Want zo zijn we wat onze (oude) mens betreft. Die kan het zelf allemaal wel. Gezien vanuit dit licht blijkt dan dat “praktische Bijbelstudie” (hoe goed bedoeld ook) vaak daar op is gericht: het oppoetsen van datgene wat we juist als dood moeten beschouwen (Col.3:3).

Laten wij in ons bestuderen van de Bijbel, Christus centraal stellen, en wat Hij in ons leven bewerkt heeft. Het Woord is zelf krachtig genoeg om z’n uitwerking te hebben (vgl. Heb.4:12, waar van de eenheid tussen het geschreven Woord en het Woord Gods, Christus uitgegaan.wordt). We kunnen elkaar alleen vormen, door elkaar het Woord, ons kostbaarste bezit, voor te houden en dat door de Geest (Rom.8:4; 2 Cor.3:18), Die dan het Woord verder zal uitwerken in onze harten.

Waar blijft de verkondiging van het Woord? Waar blijft het buigen voor Gods Woord, waardoor wij werkelijk opgebouwd worden en Ieren te handelen naar Gods wil. Waar zijn de samenkomsten waarin alleen Gods Woord verkondigd wordt? Immers dáárin staat Gods wil opgetekend en daaruit moeten we het leren.

En daarin worden wij telkens bepaald bij wat werkelijk het belangrijkste is in ons leven als gelovige: (Niet de praktijk, maar) onze positie. Dat is de Goddelijke volgorde. Het gaat om wat we zijn in Christus en in Hem hebben ontvangen. Een positie waarin we de strijd tegen de zonde niet meer te voeren hebben. Hij is immers vrijgemaakt van de zonde (Rom.6:17, 18). Immers, “… de wet van de Geest des Levens, heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt, van de wet der zonde en des doods” (Rom.8:2).

Lééf je daaruit en ben je bezig met Gods Woord, dan blijken er in de praktijk allerlei zaken te volgen. In Gods Woord, vinden we de positie op de eerste plaats. Spreekt Paulus over de praktijk en vermaant hij ons wat dat betreft, dan doet hij dat vanuit dat wat we
ontvangen hebben, onze plaats in Christus. Neem bijvoorbeeld de Efeze-brief: Eerst zijn daar drie hoofdstukken, waarin wordt ingegaan op de ontvangen zegeningen in Christus, de plaats van de gelovige in het lichaam van Christus, etc. Daarna begint Paulus over de gevolgen daarvan voor het leven van alledag, echter duidelijk gestoeld op de voorgaande hoofdstukken:

“Als gevangene in de Here vermaan ik u dan te wandelen waardig de roeping, waarmede gij geroepen zijt…” (Efe.4: 1).

Wandelen waardig datgene, waar hij het in de voorgaande hoofdstukken over had!

Wij hebben Christus leren kennen, van Wie wij gehoord hebben en in Wie wij (als het goed is) zijn onderwezen (Efe.4:20, 21). En zó wandelen wij.

Onze nieuwe positie

Toen wij tot geloof kwamen, zijn wij op een hele bijzondere plaats en in een bijzondere bediening gesteld. We hebben een rijkdom ontvangen die niet te beschrijven is, onpeilbaar diep, onnaspeurlijk. Niet op grond van onze verdiensten, maar door de genade van God.

Efe.1:4 zegt ons dat God ons in Christus “uitverkoren heeft vóór de grondlegging der wereld”. In wezen was het ontstaan en bestaan van de Gemeente van Christus al besloten vóórdat de wereld, zoals wij die nu om ons heen zien, er was! God heeft ons uitverkoren, in Hem. Let er op dat het een uitverkiezing is in Christus. Christus is de Uitverkorene (vgl. Luc.23:35) en door het geloof zijn wij in Hem geplaatst en op grond dáárvan zijn wij uitverkoren.

Het werkwoord uitverkiezen heeft een diepgaande betekenis. Het wil niet zeggen “iets uitkiezen en er verder niets mee doen”. Ook wil het niet noodzakelijk zeggen dat dat, wat niet uitgekozen wordt, bewust wordt afgewezen. Nee, het betekent: “iets/iemand uitkiezen om iets bijzonders te ontvangen”, “uitkiezen met een doel”.

Dit woord wordt hier in Efe.1:4 bovendien nog gebruikt in een bijzondere vorm, namelijk “zich uitverkiezen”, “uitverkiezen voor zichzelf“.

Als we deze volle betekenis zouden vertalen, dan krijgen we dus:

“Hij heeft ons immers voor Zichzelf uitverkoren in Hem met een doel…

Als God ons dan op zo’n speciale wijze heeft uitverkoren, kunnen we ons afvragen wat dan dat doel is. Wel, dat staat erachter:

“… opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Zijn aangezicht” (Efe.1:4b).

Daartoe zijn wij in de eerste plaats bestemd! Niet om bouwers van een betere wereld te zijn. Niet om ijveraars voor het milieu te zijn. Nee, wij zijn uitverkoren om heilig en onberispelijk te zijn voor Zijn aangezicht. Daartoe zijn we geroepen. En daar moet elke gelovige zich eerst van bewust worden en dat zal normaalgesproken dan ook werkelijke vrucht hebben voor de praktijk van ons leven.

Bent u er goed van doordrongen dat u heilig en onberispelijk in Christus (!) bent voor Zijn aangezicht? Dat geldt voor elke gelovige! Toch zijn zovelen met grote inspanning bezig met sleutelen aan hun geloofsleven, om dit te bereiken. Ga ervan uit dat het al bereikt is, door genade, in Christus. Berust daarin!

Een multi-miljonair die zich niet bewust is van zijn rijkdom, zal altijd blijven zwoegen zodat hij voldoende geld verdient om van te kunnen leven. En misschien kan hij, als hij maar zuinig genoeg leeft, een kapitaaltje opsparen, zodat hij ooit een wat grotere uitgave kan doen.

Een multi-miljonair die zich wel van zijn positie en rijkdom bewust is, wérkt niet meer om “rond te kunnen komen”. Hij is wat dat betreft in de rust gekomen. Hij zal hooguit wat werk doen, omdat hij dat leuk vindt of ertoe gedreven wordt, maar de noodzaak om te overleven is er niet. En ook in het verdere leven van alledag handelt hij in overeenstemming met wat hij heeft…

Een gelovige heeft alle geestelijke zegen ontvangen in Christus (Efe.1:3). We zijn, om het in de woorden van het voorgaande voorbeeld te zeggen, “geestelijke multi-miljonairs”. We hebben een enorme rijkdom ontvangen, waarom zouden we daar dan niet uit leven? Waarom blijven we dan zwoegen (met de teleurstellingen vandien) om toch vooral wat heiliger te zijn, om wat meer onberispelijk te zijn, zodat mensen wat minder van ons te zeggen hebben?! “Waarom karig’lijk geleefd, als de Heer zo’n rijkdom geeft?” Ja, gegeven heeft.

De heerlijkheid van onze positie

Wat betreft de positie van de inwendige, nieuwe mens zijn we reeds verheerlijkt (zie bijv. Rom.8:30). Dit heeft vanzelfsprekend te maken met het feit dat onze Here Jezus Christus verheerlijkt is. Hij is met “heerlijkheid en eer gekroond” (Hebr.2:9). Dit ge­beurde nadat Hij weer opgenomen werd in de hemel. In wezen ontving Hij toen de heerlijkheid weer terug, die Hij had vóór Zijn vleeswording (vgl. Joh.17:5). Deze heerlijkheid is onlosmakelijk verbonden met de Persoon en het Wezen van God. Het is de heerlijkheid des HEREN, de heerlijkheid van Jahweh.

Christus was, voor Hij als mens hier op aarde was, in de gestalte Gods (Fil.2:5). Als zodanig droeg Hij ook de Naam des HEREN, Jahweh, en bezat Hij ook de heerlijkheid, die met die Naam en de Gestalte Gods verbonden was.

Van Hem staat echter geschreven (Fil.2:6, 7):

“Die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof (= voordeel) heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is”.

De Zoon heeft de heerlijkheid, Die Hij bij de Vader had, de heerlijkheid die Hij als God had, afgelegd! Hij werd als Schepper aan Zijn schepselen gelijk! Hij werd mens…

De vernedering van de Zoon ging echter nog verder:

“En in Zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises” (Fil.2:8).

Maar dan komt de grote ommekeer: God heeft Hem daarom uitermate verhoogd en Hem de Naam boven alle naam geschonken. Deze Naam is de Naam van God, Jahweh. Dat is immers de Naam boven alle naam. Vers 11 van Fil.2 besluit dan met de belijdenis van “alle tong”: Jezus Christus is HERE (“Here” heeft in dit geval dus betrekking op de Naam boven alle naam, Jahweh), tot eer van God, de Vader!

Met het (terug) ontvangen van deze Naam ontving Hij Zijn heerlijkheid, die aan het “Gode gelijk zijn” is verbonden, weer terug. Daarom zegt Heb.2 dan ook dat wij Jezus zien, met heerlijkheid en eer gekroond.

Juist omdat wij in Christus geplaatst zijn, hebben wij ook deel gekregen aan Zijn heerlijkheid. Wanneer wij 2 Cor.3 opslaan dan vinden we daar een hele bijzondere geschiedenis beschreven en toegepast op gelovigen van deze tijd. Dit hoofdstuk wordt besloten met de woorden van vers 18:

“En wij allen, Die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des HEREN weerspiegelen…”

In dit hoofdstuk maakt Paulus een vergelijk tussen Mozes en de gelovige. Hij gebruikt daarvoor, door de Heilige Geest, een Oud-Testamentische geschiedenis om een waarheid die voor ons geldt uit te beelden. Bij het schrijven van dit derde hoofdstuk van de 2de Corinthebrief had hij waarschijnlijk de boeken van Mozes erbij genomen, met name Ex.33 en 34. Wanneer we deze hoofdstukken opslaan, zien we daarin beschreven het moment, waarop de HERE met het volk Israël Zijn Sinaï-verbond sluit en Mozes de Tien Woorden op de stenen tafelen ontvangt. Dit verbond komt echter niet “vlekkeloos” tot stand.

In Ex.24:12 zegt de HERE tot Mozes:

“Klim op tot Mij, de berg op, en blijf daar, dan zal Ik u de stenen tafelen geven, de wet en het gebod, die Ik opgeschreven heb, om hen te onderwijzen.”

Vervolgens lezen we dat Mozes de berg besteeg, terwijl de wolk van de heerlijkheid des HEREN op de berg Sinaï rustte. Hij verbleef 40 dagen en 40 nachten op de berg (vs.13-18). In deze periode toonde God aan Mozes op welke wijze de tabernakel gemaakt moest worden (hfdst.25-31; vgl. Heb.8:5) en ontving hij de twee stenen tafelen (31:18). Ondertussen was het volk echter met hele andere dingen bezig (zie hfdst.32). Israël werd ongeduldig en I ietAëron een afgod maken, het gouden kalf…

Terwijl Mozes zich nog op de Sinaï bevond zei de HERE tot hem dat het volk het verdorven had (32:7) en Hij het nu zou vernietigen. Mozes pleitte echter voor het volk bij God met het gevolg dat Hij het volk spaarde. Toen Mozes echter zelf zag waar het volk mee bezig was, ontbrandde zijn toorn en wierp hij de tafelen uit zijn hand en verbrijzelde ze (vs.19).

Uiteindelijk sluit de HERE toch Zijn verbond met Israël en daartoe was het nodig dat Mozes twee nieuwe tafelen maakte (34:1, 4). Hier gaat echter iets opmerkelijks aan vooraf: Mozes heeft een bijzonder verzoek aan God:

Hij vraagt: “Doe mij toch Uw heerlijkheid zien” (33:18).

Hierop antwoord de HERE hem het volgende:

“Ik zal Mijn luister aan u doen voorbijgaan en de Naam des HEREN voor u uitroepen… Bij Mij is een plaats, waar gij op de rots kunt staan; wanneer Mijn heerlijkheid voorbijgaat, zal Ik u in de rotsholte zetten en u met Mijn hand bedekken…” (vs.19, 21, 22).

Het moment waarop de HERE dit deed, vinden we in Ex.34, waar we in vs.4 lezen dat Mozes met de nieuwe tafelen van steen de berg Sinaï beklom. Daarna stelt de HERE Zich bij hem en roept de Naam des HEREN uit. “De HERE ging aan hem voorbij…” (vs.5, 6). En op dat moment ziet Mozes iets van de heerlijkheid des HEREN. Het aangezicht van de HERE krijgt Mozes echter niet te zien. De heerlijkheid daarvan is te heilig voor een mens om die te zien en te blijven leven (33:20, 23). Daarom beschermt God Mozes door hem met Zijn hand te bedekken.

Als Mozes dan opnieuw na 40 dagen en 40 nachten op de berg te hebben vertoefd, afdaalt, met de twee nieuwe tafelen in zijn hand, straalt, zonder dat hij het zelf weet, de huid van zijn gelaat (34:29). Dit is iets wat we na het geven van de eerste stenen tafelen niet lezen. Waarom straalde de huid van zijn gelaat? bat staat in hetzelfde vers: “… doordat Hij met hem gesproken had.”

Het gaat hier om de heerlijkheid des HEREN, die door Mozes weerspiegeld werd (zie 2 Cor.3:7). Het Oude Verbond, geschreven op tafelen van steen, was de bediening des doods. Het was een tijdelijke bediening. Toch ging deze tijdelijke bediening gepaard met de heerlijkheid des HEREN. Maar dan schrijft Paulus van het Nieuwe Verbond: “… hoe zal niet nog meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn” en “… veel meer is het blijvende in heerlijkheid” (2 Cor.3:6-11). Wij hebben in Christus deel aan dat Nieuwe Verbond en stralen als gevolg daarvan dan ook de heerlijkheid uit die daarmee verbonden is.

We hebben gelezen dat de HERE tot Mozes zei, dat bij Hem een plaats was waar Mozes op de rots kon staan. Wanneer wij tot geloof komen en tot God gaan, is er slechts één weg: Gaan staan op de Rots, Christus.

“Geen and’re pleitgrond hebben wij,

Niets maakt naast Hem ons vrij.”

Alleen op grond van Zijn verlossingswerk is de toegang vrij tot de Vader.

Nadat Mozes op de rots ging staan, zien we dat, wanneer de heerlijkheid des HEREN voorbijgaat, hij in de rotsholte geplaatst wordt. Op grond van Christus’ verlossingswerk mogen we tot God gaan (op de rots). Alleen dan openbaart Hij Zich aan ons, waarbij Hij ons plaatst in Christus (in een holte van de Rots) en leren we, als het goed is, de rijkdom van Zijn genade kennen.

Vervolgens zagen we dat toen Mozes van de berg afdaalde, de huid van zijn gezicht straalde, zonder dat hij het wist. Hij weerspiegelde de heerlijkheid des HEREN, zonder dat hij het wist! En zo is het ook met vele gelovigen in Christus. Velen weten het niet, maar blijkens vs.18 van 2 Cor.3 zijn we in een positie gesteld, waarin we de heerlijkheid des HEREN weerspiegelen! Waarom? Omdat Hij met ons heeft gesproken, we hebben Hem ontmoet in Christus.

“Want de God, Die gesproken heeft: Licht schijne uit het duister, heeft het doen schijnen in onze harten, om ons te verlichten met de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus” (2 Cor.4:6).

De HERE heeft ons verlicht met de kennis van Zijn heerlijkheid die rust in het aangezicht van Christus. Hij is het Beeld van de onzichtbare God.

De positie die we in Christus ontvangen hebben is een positie die de heerlijkheid des HEREN uitstraalt. Toch weten zo weinige gelovigen van de geweldige zegeningen, verbonden aan het “in Christus zijn”.

En daarom herhalen we, wat ook al eerder in dit hoofdstuk in andere woorden geklonken heeft: Leer jezelf zien, zoals God je ziet. Dat is het belangrijkste wat de gelovige van vandaag moet leren. Wie ben ik in Gods ogen, m.a.w.: Wat is mijn positie…? En dan kunnen we alleen nog maar danken voor de rijke genade van God aan ons betoond.

De Gemeente is een “tentoonstellingsvoorwerp”

Niet alleen als individuele gelovige hebben we een bijzondere bediening. Ook de Gemeente van Christus (alle gelovigen in Christus samen) is in een bijzondere bediening gesteld. Wanneer we Efe.1 :3-14 in zijn geheel doorlezen, dan vinden we daar driemaal de term “tot lof Zijner heerlijkheid” terug (vs.6, 12 en 14). Eerder hebben we al gezien dat de Here de gelovigen in Christus heeft uitverkoren met een speciaal doel: Heilig en onberispelijk zijn voor Zijn aangezicht. Dat doel wordt, wat de Gemeente van Christus betreft, verder uitgediept in de uitdrukking “tot lof Zijner heerlijkheid”. Daar-toe zijn we heilig en onberispelijk voor Zijn aangezicht. Daar-toe zijn we gered en hebben wij de verlossing van Zijn bloed, de vergeving der overtredingen (vs.7). Daartoe heeft Hij ons het geheimenis van Zijn wil doen kennen (vs.9).

“… opdat wij zouden zijn tot lof Zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gèbouwd. In Hem zijt ook gij, nadat gij het Woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord…” (vs.12, 13).

De grootheid van God en Zijn heerlijkheid worden zichtbaar in de Gemeente. Het Lichaam van Christus is er, om te laten zien wat God in Zijn genade aan mensen doet. Om de rijkdom Zijner genade te tonen. En daarom is de Gemeente een tentoonstellingsvoorwerp. Als een bepaald bedrijf wil laten zien waar het mee bezig is of wat het maakt, dan gaat het naar een beurs en neemt de mooiste exemplaren van zijn produkten mee. Opdat de mensen kunnen zien wat dat bedrijf kan en doet.

Door middel van de Gemeente laat God aan Zijn schepping, in het bijzonder in de hemelse gewesten, zien, wat Hij doet, wat Zijn wijsheid is, hoe groot Zijn genade is, welke Zijn heerlijkheid is. Dat doet Hij nu en in de toekomst:

Efe.3:10 handelt over het heden:

“… opdat thans door middel van de Gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden…”

Dat is het doel dat God met de Gemeente in deze tijd heeft! En laat het duidelijk zijn: dat is dus in de eerste plaats een “onzichtbare” zaak! Een verborgen zaak, volledig in overeenstemming met de tijd waarin we, volgens Gods Heilsplan, leven. Deze verborgen roeping van de Gemeente behoort ook in de plaatselijke gemeente te worden teruggezien. Te vaak is men bedacht op de uiterlijke dingen. (“Kan ons getuigenis wel gezien worden?”, “Zijn wij als geloofsgemeenschap wel bekend genoeg in onze plaats?”) De Here ziet echter het hart aan. Ons leven is verborgen met Christus in God (Co1.3:3). In vele erediensten hebben uiterlijkheden een belangrijke plaats gekregen, waarbij de ene gelovige de Here nog mooier lof en eer lijkt toe te kunnen brengen dan de ander. En de één kan het nog fijner zeggen in het gebed, dan de ander. Natuurlijk, het is fijn als gelovigen vrijmoedig en in gemeenschap zo met elkaar om gaan. Maar hoe oprecht we dit alles ook menen, we moeten ervoor waken dat in onze samenkomsten de Woordverkondiging niet verdrongen wordt door… wat wíj belangrijk, mooi en “fijn” vinden. Juist in onze samenkomsten geldt weer, dat het Woord centraal moet staan, zeker ook wat betreft de tijdsverdeling van de dienst.

Soms lijkt het lijkt erop dat veel moderne gelovigen zich niet meer in grote mate in Gods Woord kunnen verheugen. Niet meer stil kunnen staan bij de geweldige waarheden, daarin verkondigd. Niet meer stil kunnen worden voor de grootheid waarin God Zijn plan in Christus volvoert.

Gelukkig geeft Hij nog steeds de genade om ons bezig te houden met de dingen, die boven zijn, waar Christus is. En we zoeken deze hemelse dingen, als we Gods Woord bestuderen, waarvan Christus immers het Middelpunt is. Grijp elke gelegenheid daartoe aan! God heeft ons zoveel te vertellen in Zijn Woord, dat ons tot vreugde en blijdschap van ons hart zou moeten zijn (Jer.15:1 6). Bestudeer dat en laat u niet hinderen en afleiden door uiterlijkheden. Dan zal er een groei ontstaan, waarop we terug mogen zien met de woorden: “Door de genade Gods ben ik, wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest… (1 Cor.15:1 0).

Ook over de toekomst wordt, wat de taak en het doel van de Gemeente betreft, in de Efeze-brief iets gezegd:

“… om in de komende eeuwen (= tijdperken) de overweldigende rijkdom Zijner genade te tonen naar (lett.: in) goedertierenheid over ons in Christus Jezus” (Efe.2:7).

Dit zijn dingen die voor ons moeilijk te begrijpen zijn. Deze roeping gaat zo ver boven ons vaak nog aardsgerichte denken uit, dat we er niet bij kunnen. Maar dit is het wat de-Heer heden doet en wat Hij eeuwen en geslachten lang verborgen heeft gehouden. En dit is het ook wat Hij u en mij bekend wil maken: de rijkdom van die verborgenheid: Christus in u, de Hoop der heerlijkheid (Co1.1:25-27).

Leer daarom wat de positie is van de Gemeente (en daarmee uw eigen positie), want God wil het u bekendmaken. Leer welk bijzonder werk God doet in dit bijzondere tijdperk binnen Gods Heilsplan. Leer uzelf zien, zoals God u ziet, een mens in wie Christus woont, een mens in Christus.

HOOFDSTUK 3

Leven in de oude schepping

Zoals we al in het eerste hoofdstuk zagen leven wij als gelovigen in een lichaam dat nog deel uit maakt van de oude schepping. We leven zogezegd “uit balans”, “uit evenwicht”. Er is een on-natuurlijke situatie ontstaan in onze levens. Als nieuwe mens moeten we nog een tijdlang in het oude, aardse lichaam leven.

Er wordt wel eens gezegd dat een gelovige weer volkomen mens geworden is. Het tegendeel is eerder waar! We zijn pas volkomen mens als ook ons lichaam daadwerkelijk aan de verlossing deel heeft. En de praktijk leert dat ook! Als christen wordt het leven bepaald niet gemakkelijker. Er ontstaat weerstand, omdat we als nieuwe scheppingen leven in een oude, Gode vijandige wereld. Maar dat niet alleen, er ontstaat ook weerstand in onszelf: Er is een nieuwe natuur die botst met de oude (en die daarbij ook nog de hulp heeft van het oude lichaam).

Wil dit nu zeggen dat we een voortdurende strijd te voeren hebben tussen het goede in ons en het kwade (de zonde)? Om het met Paulus te zeggen: ”volstrekt niet!” Maar daarover later meer. We willen ons nu eerst bepalen bij ons leven in deze oude schepping en laten zien wat de gezindheid, het streven en het wezen van de oude schepping (en dus ook van ons lichaam met onze oude natuur) is.

Aan de vruchteloosheid onderworpen

… met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. Want de schepping is aan de vruchteloosheid (St.vert.: ijdelheid) onderworpen, niet vrijwillig, maar om Hem, Die haar daaraan onderworpen heeft…” (Rom.8:19, 20).

Als wij het woord “schepping” hier lezen, dan wordt daarmee het geschapene bedoeld, zoals we dat om ons heen zien.

Met andere woorden: de schepping waarin wij leven. Die schepping is, hoe mooi zij soms ook is, aan de vruchteloosheid onderworpen. De onderwerping aan de vruchteloosheid is in het paradijs gebleken, toen de eerste Adam het gebod van God overtrad:”… tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt… (Gen.3:17). “Om uwentwil”, Adam was de oorzaak, waarop de Here Zijn oordeel uitsprak. Hoewel we daar nu niet verder op in willen gaart, is het wel belangrijk er op te wijzen dat deze “vervloeking” niet de oorsprong, maar achteraf veeleer een bevestiging en versterking is van het feit dat deze eerste schepping aan de vruchteloosheid onderworpen is.

“Vruchteloosheid” wil namelijk zeggen: “niet in staat iets goeds (vrucht) voort te brengen”. Deze eigenschap van de schepping wordt bevestigd in Adam, die als vrucht uit de aardbodem (Hebr: “Adamah”) voortgebracht, meteen al “valt”. En dan blijkt dat niet de eerste mens, Adam, (uit de aarde, stoffelijk), volkomen naar de wil van God kan leven. Alleen de laatste Adam, de tweede Mens, Christus, (uit de hemel, hemels) kan dat. Niet onze oude mens kan God behagen, alleen de nieuwe, die in Christus is kan dat…

Het woord “vruchteloosheid” zoals dat in Rom.8 gebruikt wordt, konnt nog twee maal voor in het Nieuwe Testament:

Efe.4:17 “… de ijdelheid van hun denken…”

2 Pet.2:18 “… met holle, hoogdravende klanken…”

Wanneer u de contekst van deze Schriftplaatsen leest, ontdekt u dat het telkens in verband gebracht wordt met deze tegenwoordige wereld: het denken daarvan, dan wel de taal, die gebezigd wordt. Vruchteloosheid, ijdelheid, hol. Woorden die de inhoud weergeven van het wezen en karakter van deze (oude) schepping.

Een belangrijk thema in het boek Prediker is de vruchteloosheid of eigenlijk ijdelheid. Pred.1:2 begint ook zo: “IJdelheid der ijdelheden, zegt Prediker, ijdelheid der ijdelheden! Alles is ijdelheid! “IJdelheid” is hier de vertaling van “Haveel”, een woord dat wij in Gen.4 al tegenkomen in de naam “Abel”. Het wil zoveel zeggen als “damp”, “leeg”. Een damp komt op, is er een korte tijd en verdwijnt weer. Even lijkt het wat, maar opeens is het weer weg. (Iets dat geillustreerd werd in het korte leven van Abel).

De Here noemt de afgoden van de Israëlieten “ijdelheden” (zie bijv. Deut.32:21). Een afgod lijkt heel wat, wordt door zijn aanbidders zelfs “god” genoemd, maar blijkt niets anders te zijn dan een waardeloos stuk materiaal en wordt door God “leeg” genoemd.

Wanneer we dat eerste hoofdstuk van Prediker doorlezen dan ontdekken we een belangrijk kenmerk van de ijdelheid/vruchteloosheid van deze schepping:

de cirkelbeweging, waarbij alles telkens weer bij het oude uitkomt.

  • “Het ene geslacht gaat en het andere geslacht komt…” (vs.4).
  • “De zon komt op en de zon gaat onder en hijgend ijlt zij naar de plaats waar zij opkomt” (vs.5).
  • “De wind gaat naar het zuiden en draait naar het noorden, aldoor draaiend gaat hij voort en op zijn kringloop keert de wind weer terug” (vs.6).
  • “Alle beken stromen naar de zee, nochthans wordt de zee niet vol; naar de plaats waarheen de beken stromen, daarheen stromen zij altijd weer” (vs.7).

De aarde blijft altoos staan (vs.4b), maar wat er op en aan gebeurd heeft een kringloop (de geslachten, de zon, de wind, het water, enz.). En dan komt Prediker in vs.8 tot de conclusie: “Alle dingen zijn onuitsprekelijk vermoeiend…” Het komt telkens weer op hetzelfde neer. Er wordt geen vrucht gedragen, in die zin dat er werkelijk iets nieuws en blijvends ontstaat (zie ook vs.9, 10; 3:15). Er is niets dat de kringloop doorbreekt. Steeds is er weer die cyclus, waar ook Adam (op een andere manier dan de wijze waarop hij die cyclus al kende), na zijn val bij bepaald werd:

“… in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren” (Gen.3:19).

Er is echter nog iets bijzonders aan de hand met deze cirkelbeweging. Want terwijl alles opgenomen is in een cyclus, vindt er ook een neergaande beweging plaats. Wanneer wij bijvoorbeeld een spiraal van bovenaf (in de lengterichting) bekijken, dan zien wij alleen maar een rondje, een cirkel. En plaatsen we alles wat er gebeurd, op die cirkel, dan komen we steeds weer bij hetzelfde punt uit. Draaien we echter die spiraal, zodat we naar de zijkant kijken dan zien we dat de cirkelbeweging tegelijkertijd een neergaande beweging is. Geen opgaande, zoals het in de evolutie-leer voorgespiegeld wordt! Voor zover het van deze, oude schepping afhangt wordt het niet beter, maar slechter. Een proces dat in wezen door de val van Adam zeer versterkt, zo niet in werking gezet werd. Dit vereist dus een ingreep! En die ingreep heeft plaatsgevonden in de komst van de laatste Adam in deze wereld. Het Zaad klevam in de, in zichzelf, vruchteloze schepping. Christus heeft het eindpunt van de spiraal, de dood, overwonnen. En wanneer iemand zijn ver-trouwen heeft gesteld op Christus, is hij meer dan overwinnaar en is hij in Christus, een nieuwe schepping geworden; “het oude is voorbijgegaan, zie het nieuwe is gekomen” (2 Cor.5:1 7). Dat geldt de gelovige.

Maar ook de schepping zal bevrijd worden en ziet daar naar uit! “Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods” (Rom.8:19). In het kader van Rom.8 wordt met de uitdrukking “zonen Gods” bedoeld: “… allen, die door de Geest Gods geleid worden…” (vs.14). Door die Geest zijn wij kinderen Gods. “Zijn wij nu kinderen dan zijn wij ook erfgenamen (zonen): erfgenamen van God (zonen Gods), en medeërfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in Zijn lijden, is dat om ook te delen in Zijn verheerlijking” (vs.1 7).

Wij zullen delen in Christus’ verheerlijking, als Hij Zijn heerlijkheid zal openbaren. Dan zullen de zonen Gods (wij) geopenbaard worden.

“Wanneer Christus verschijnt, Die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid” (Co1.3:4).

Deze heerlijkheid des HEREN zal worden geopenbaard als Christus zal beginnen met de oprichting van Zijn Koninkrijk en Hij in eerste instantie door Zijn gerichten (over de volkeren) gerechtigheid zal leren op deze wereld (zie Jes.26:9).

Naar dat moment ziet de schepping (St.vert.: het schepsel) uit. Dan zal zij “van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid bevrijd worden tot de heerlijkheid der kinderen Gods” (Rom.8:21).

Deze bevrijding is overigens geen bevrijding van de cirkelbeweging, de cyclus. De neergaande lijn van die cyclus wordt vertraagd, soms stopgezet en zal in sommige gevallen zelfs een opgaande lijn (een ontwikkeling) worden. Dit wordt mogelijk doordat de satan gebonden zal worden. Let op: niet de zonde, maar de satan. Dan zal er een periode van 1000 jaren voorbijgaan, waarin mensen weer hoge leeftijden bereiken en mens en dier (en dieren onderling) in harmonie leven met elkaar.

De cyclus is onlosmakelijk verbonden met deze eerste schepping en zal daarom voort blijven bestaan tot het einde daarvan. “Wij verwachten echter naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont” (2 Pet.3:13). En in die nieuwe schepping zal geen sprake meer zijn van de cirkelbeweging, want dan zal de dag der eeuwigheid (d.w.z. een dag zonder einde) zijn ingegaan. Zo staat bijvoorbeeld van het nieuwe Jeruzalem geschreven dat daar geen nacht meer zal zijn (Openb.21:25), terwijl wij de cyclus van dag en nacht nog dagelijks ervaren (evenals Adam vóór zijn val!).

Het lijden van de tegenwoordige tijd

Het leven als nieuwe mensen in de oude schepping brengt dus onevenwichtigheid met zich mee: We zijn niet meer gelijk aan onze leefomgeving. Het botst met elkaar en dát is wat Paulus noemt: “het lijden van de tegenwoordige tijd”. Gezien de contekst van Rom.8 bedoeld Paulus zeker niet alleen het lijden dat voortkomt uit het dragen van een getuigenis ten opzichte van onze ongelovige, soms vijandige medemens. Nee, wat Paulus vooral bedoelt is het lijden dat we ondervinden doordat we als nieuwe mensen leven in een oude wereld, en in een oud lichaam. Een lichaam dat aan de regels van de zonde onderworpen is en dus aftakelt, ziek wordt en uiteindelijk sterft. Elke gelovige wordt daarmee geconfronteerd, de één in meerdere, de ander in mindere mate. We hebben een lichaam dat nog met de neergaande cyclusbeweging te maken heeft. Het lichaam waarin “wij, die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam” (Rom.8:23).’

Romeinen 7

Hoe komt Paulus nu te spreken over deze dingen? Wel, hij zag in zijn eigen leven iets dat zovele gelovigen ook kennen uit hun eigen leven. Namelijk een bepaalde regel: “als ik het goede wenste doen, is het kwade bij mij aanwezig”.

Paulus schrijft hierover in Rom.7, het gedeelte dat vooraf gaat aan het hoofdstuk waaruit we al meerdere Schriftplaatsen hebben aangehaald. Hier spreekt de apostel over de wet en vooral de werking die ervan uit gaat, voor hen die onder die wet (willen) leven/geleefd hebben. In de verzen 1-6 van Rom.7 is de basis te vinden voor datgene waar hij in de volgende verzen over schrijft. Vooral in het 6de vers zegt hij hoe het er voor elke gelovige nu voor staat: “wij dienen in de nieuwe staat des Geestes”. Wanneer we in deze hoofdstukken over de “wet” lezen moeten we voorop stellen dat deze wet vooral betekenis had/heeft voor Joodse mensen. Hén was immers de wet gegeven en zó spreekt Paulus ook (“Of weet gij niet, broeders, – ik spreek immers tot wie de wet kennen…“). Helaas moeten we nu constateren dat in de achter ons liggende eeuwen van Christendom, ook de gelovigen uit de heidenen (niet-Joden) door allerlei kerkelijke dogma’s onder diezelfde wet gesteld zijn. Een wet, die in wezen nooit voor hen bedoeld was en zeker in de heilsperiode, waarin wij nu leven niet meer de betekenis heeft, die zij van origine voor het Joodse volk had. Wij zijn immers niet onder de wet, maar onder de genade (Rom.6:14). De Christenheid heeft het echter, over het algemeen, niet ten volle geloofd en heeft daarom ook nooit ten volle van de zegeningen van Gods Genade kunnen genieten!

Paulus zegt tot “hen die de wet kennen”, dat die wet heerschappij voert over de mens, zolang hij leeft (Rom.7:1). Want de gehuwde vrouw is door de wet aan haar man verbonden zolang deze leeft. Als de man sterft, is de vrouw vrij om te trouwen met wie zij wil. Waarom spreekt Paulus hier nu plotseling over een huwelijk? Daar had hij het toch helemaal niet over? Toch wel… Want hij spreekt tot hen die de wet kennen, gelovige broeders uit het Joodse volk. Een volk dat door diezelfde wet verbonden was (in een huwelijk) aan haar Man. Maar die Man is gestorven (op Golgotha), waardoor de vrouw krachtens diezelfde wet vrij was om zich aan een andere man te geven. Het Joodse volk (de gehuwde vrouw) heeft zich tot op heden nog niet gegeven aan die “andere Man”. Nee, heeft die andere Man zelfs verworpen en doet dat nog steeds. En een klein gedeelte van dat volk leeft, hoewel de Man wat het oude verbond betreft gestorven is, nog steeds alsof zij getrouwd is met die Man, Die niet gekend en herkend werd toen Hij op aarde was (Joh.1:10, 11).

Nee, slechts een klein overblijfsel geloofde in Hem en tot hén spreekt Paulus dan ook in eerste instantie in Rom.7, als hij zegt:

“Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het lichaam van Christus om het eigendom te worden van een Ander, van Hem, Die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen”.

Woorden, die in de toekomst een groter geheel van het Joodse volk zullen gelden (het gelovig overblijfsel in dre tijd), als de Here opnieuw Zijn (huwelijks)verbond met hen zal sluiten (Jer.31:31-34). Dit zal echter pas gebeuren nadat de Here Zijn oordeel heeft

geopenbaard, dat in eerste instantie over Israël zal komen. Vele gelovigen verheugen zich tegenwoordig, dat zij zien dat er weer een volk Israël in het land is, maar laten wij toch vooral goed beseffen waarom zij in het land zijn. Ja, natuurlijk, om uiteindelijk Gods volk te zijn. Maar dat zal pas bereikt zijn als Zijn oordelen openbaar zijn geworden. Nadat de Gemeente van de aarde is weggenomen zal Hij het Joodse volk eerst in het nauw brengen, de tijd van de grote verdrukking, de tijd van Jakobs benauwdheid. De grote verdrukking is daarom ook een periode die vooral Israël zal treffen, een tijd waarin de volkeren door God (!) tegen Jeruzalem ten strijde vergaderd zullen worden (Zach.14:2). Hij gebruikt juist die volkeren om Israël te reinigen, een reiniging die daarin bestaat, dat Hij de ongelovigen uit hun midden weg zal doen. En er zullen velen ongelovig zijn! Zach.13:8 zegt:

“… twee derden zullen uitgeroeid worden, maar een derde zal daarin overblijven. Dat derde deel zal lk in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, zoals men goud loutert (vgl. 1 Pet.1 :6, 7). Zij (dat derde deel) zullen Mijn Naam aanroepen en Ik zal hen (dat derde deel) verhoren. Ik zeg (in dEe tijd): Dat (dat derde deel) is Mijn volk; en zij zullen zeggen: De HERE is mijn God.”

Er zijn wel “heldere” geesten die “berekend” hebben dat in de afgelopen 1900 jaar twee derden van het volk omgekomen zijn in de verstrooiing. Hoe vreselijk en reëel deze redenering ook is, daar gaat het niet om in Zach.13. Daar staat immers:

In het gehele land (“eretz”, waarmee duidelijk niet op de verstrooiing gedoeld wordt), luidt het Woord des HEREN, zullen twee derden uitgeroeid worden…”

Vreselijke woorden, ernstige woorden, … maar Bijbelse woorden. Pas als dat derde deel, het gelovig overblijfsel, dat zich in het land bevind, de HERE zal aanroepen, zal Hij uittrekken om tegen die volkeren die zich dan nog steeds om Jeruzalem bevinden (zie vs.1 en Luc.21:20 e.v.) te strijden en pas dan zal Hij Zijn oordelen openbaren over de rest van de wereld. Dit is de Goddelijke volgorde: Zoals het met het heil ging, eerst voor de Jood en pas later voor de heiden, zo zal het ook met het oordeel gaan, eerst de Jood en ook de heiden. En na de oordelen zal er eerst de zegen zijn voor Israël en daarna pas voor de overige volkeren (zie Rom.2:9, 10).

Wanneer we Gods Plan voor de toekomst willen aanvaarden, wat zeker in onze tijd veel tegenstand oplevert, kijken we met heel andere ogen naar de terugkeer van zoveel Joodse mensen naar het land. Ja, enerzijds zien we hieraan wel dat Gods Woord in vervulling zal gaan, anderzijds gaat ons gebed voor hun behoud naar God uit en zouden we ook hen evenals de overige mensen bekend moeten maken met Gods heil, opdat zij geloven in God en Hem mogen gaan dienen in een “nieuwe staat des Geestes”.

Ik, ellendig mens!

Maar nu terug naar Rom.7. En nogmaals dit hoofdstuk spreekt vooral tot hen, die onder de wet gestaan hebben, gelovigen uit de Joden. “Thans zijn wij”, zegt Paulus, “ontslagen van de wet, dood voor haar ..” En dan gaat Paulus, vanaf vs.7, over de werking van de wet spreken. In de eerste plaats vraagt Paulus zich af: “Is de wet zonde? Het antwoord luidt: “Volstrekt niet!” De wet was immers door God gegeven. Wel doet de wet zonde kennen (zie ook Rom.3:20) en Paulus noemt dan een voorbeeld uit zijn eigen leven: Hij kende geen begeerte, totdat hij in de wet las “Gij zult niet begeren”. Daaraan zag hij dat er begeerte was en begon de zonde te werken en wekte allerlei begeerlijkheid in hem op (vs.7, 8). Maar vast blijft staan: “Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed” (vs.12) en “wij weten immers, dat de wet geestelijk is” (vs.14). De mens is echter vlees en zondig, de mens wordt geregeerd door een andere wet, de wet der zonde en des doods. En Paulus wijst ons er dan op dat wij enerzijds het goede kunnen proberen te doen, dat wat in de wet Gods staat, anderzijds zal de wet van de zonde, die in onze leden is, dat goede weer afbreken. Dat is een levenservaring die bij ieder naar voren komt.

“Zo vind ik dan deze regel (= wetmatigheid): als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig…” (Rom.7:21).

Dat is de onbalans, de onevenwichtigheid in het leven van de gelovige: “… naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods (het goede, vs.14), maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand (de wet Gods) en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is” (vs.22, 23). Dit feit is een wetmatigheid, een regel in het leven van elke gelovige zolang deze nog in het oude lichaam, dat deel is van de oude schepping, rondwandelt.

“Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?”

Gode zij dank, want wij zijn behouden in de hoop op de verlossing van ons lichaam, door Jezus Christus, onze Here! (zie ook Fil.3:20, 21).

HOOFDSTUK 4

De nieuwe staat des Geestes

Wat nu, moeten we als gelovigen een leven leiden van strijd tussen wet en zonde? Moeten we als gelovigen telkens weer proberen om het goede te doen, en dan uiteindelijk tot de ontdekking komen dat het kvvade er uit voort gekomen is? Proberen wij ons in te spannen de werken der wet (het goed-doen) te doen, om steeds weer te zien dat het mislukt. Gaat het, zoals zovele gelovigen ervaren, op de volgende manier:

’s Morgens bidden we tot God en vragen Hem: “Heer wilt u ons kracht geven Uw geboden te houden, Heer geef, dat ik vandaag toch een wat meer geheiligd leven mag leiden”. En ’s avonds vragen we de Heer dan weer om vergeving voor alles wat we fout gedaan hebben, en moeten we constateren dat het weer verkeerd is gegaan. Weer heeft de wet der zonde overwonnen. “En ik had het nog zó geprobeerd”. lk, ellendig mens…

Kortom, blijven we steken in het leven, dat beschreven wordt in Rom.7:13-26, een voortdurende strijd tussen goed en kwaad, een strijd waarin we “op en neder, heen en weder geslingerd” worden? Een strijd waar we doodmoe van worden? Is dat de bedoeling?

Gelukkig niet! We zijn immers niet onder de wet, opdat de zonde heerschappij zou voeren over ons, maar onder de genade (Rom.6:14). We zijn niet vrijgemaakt om opnieuw onder een slavenjuk te komen, nee, we zijn vrijgemaakt opdat wij waarlijk vrij zouden zijn (Ga1.5:1). Zolang wij in dit lichaam zijn, hebben wij te maken met de zonde, die over dat lichaam heerst. Maar laat ons dat niet verleiden tot strijd daartegen! De strijd is immers al gevoerd. Ook wat ons leven betreft heeft God gezegd: “Het is volbracht!” We zijn met Hem gekruisigd. Wanneer we weer tegen de zonde gaan strijden, doen we weer een stap terug en gaan we als het ware weer vóór het kruis staan. Maar dat kan niet! We zijn met Hem gekruisigd. Voltooid verleden tijd. Wat voor gevolg heeft onze mede-kruisiging dan? Dit:

“… opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn” (Rom.6:6).

In wezen komt het hierop neer: wij moeten leren wat onze positie is, die we in Christus ontvangen hebben, en daarin gaan staan. Wanneer we dat doen wordt het leven van Romeinen 8 ons deel, het leven door de Geest. Dát is Gods bedoeling voor u en voor mij. Tot dusver zagen wij in Rom.7 twee wetten:

  • de wet Gods, vs.22 (de wet van het O.T., die bestaat in inzettingen en geboden)
  • de wet der zonde, vs.23 (de wet die in onze leden is, waardoor ons lichaam beheerst wordt)Daar bestaat van nature spanning tussen. Een spanning die in Christus is weggedaan. Wanneer wij Hem hebben leren kennen, treedt er namelijk een derde wet in werking:
  • de wet van de Geest des Levens (Rom.8:2)

De eis der wet

“Want de wet van de Geest des Levens heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt, van de wet der zonde en des doods ( = de wet die in onze leden is). Want wat de wet ( = de wet Gods, de oude staat der letter) niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees (dat beheerst wordt door de wet der zonde) -God heeft, door Zijn Eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees, opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest” (Rom.8:3, 4).

Let wel, de eis der wet wordt vervuld in ons, die naar de Geest wandelen. Weet u wat dat betekent? Onder “de eis der wet” moeten wij verstaan de voorwaarde waaraan voldaan moet worden om iets te ontvangen. Dit wordt samengevat in de woorden “gij zult Mijn inzettingen en Mijn verordeningen in acht nemen; de mens die ze doet, zal daardoor leven” (Lev.1 8:5; zie ook Ga1.3:1 2). De eis van de wet is het doen van die wet. Als aan die eis, aan die voorwaarde geheel voldaan werd, zou het leven verkregen worden. Er was echter geen mens die dat kon.

Wanneer wij Psalm 1 opslaan lezen we daar:

“Welzalig de man die niet wandelt

in de raad der Goddelozen,

die niet staat op de weg der zondaars,

noch zit in de kring der spotters;

maar aan des HEREN wet zijn welgevallen heeft,

en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht.”

Als deze Psalm gelezen of gezongen wordt gebeurd dat meestal met de intentie van: Als ik nou maar niet wandel in de raad der Goddelozen (…) en aan de wet des HEREN mijn welgevallen heb, dan ben ik welzalig! En onszelf voor de gek houdend, zingen we er dan nog bij: alles gelukt!

Laten we eerlijk zijn: Wij overpeinzen de wet des HEREN (letterlijk: de Thora) helemaal niet bij dag en bij nacht. En zeker niet in die zin, dat we die wet ook nog kunnen gehoorzamen. “Uit werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden” (Ga1.2:16b). “Allen, die het van werken der wet verwachten, liggen onder de vloek…” (Ga1.3:10).

Nee, beste lezer(es), wanneer wij proberen welzalig te worden door de werken der wet, het goede te doen, verzanden wij weer in de strijd van Rom.7, de strijd tussen wet en zonde. En telkens komen we dan tot de conclusie: al wat ik onderneem, mislukt (vgl. Ps.1 :3).

Ja, maar je mag Ps.1 toch wel met deze intentie zingen? Wat al niet mag! Het gaat er echter om: Is het nuttig? Heeft het zin? Is het in overeenstemming met het werk dat God in deze tijd doet? Alleen als we beseffen dat het hier niet gaat om een mens, een man, wellicht u of ik, maar over dé Man, Christus, krijgt Ps.1 werkelijk waarde voor ons.

“God heeft Zijn Eigen Zoon gezonden in een vlees, aan dat der zonde gelijk…” In Ps.1 vinden wij een profetische beschrijving van Gods Eigen Zoon en het leven dat Hij als Mens op aarde geleid heeft. Een leven dat gekenmerkt werd door gehoorzaamheid aan de wet des HEREN, een leven waarin Hij als de Volmaakte de geboden en inzettingen des HEREN vervulde. Een leven waarin Hij de eis der wet vervulde, een leven waarin Hij de gerechtigheid, die de wet eiste, vervulde. Een leven waarin Hij alle gerechtigheid vervulde (zie bijv. Matt.3:15). En voor Hém gold dan ook “al wat Hij onderneemt, gelukt” (Ps.1:3).

Immers, Hij was Degene, Die zonder zonde was. Dat er in Rom.8:3 staat dat God Zijn Zoon gezonden heeft in “een vlees aan dat der zonde gelijk”, wil nog niet zeggen, zoals sommigen (ook gelovigen!) menen, dat de Here Jezus had kunnen zondigen… Hij kón niet zondigen omdat Hij uit God geboren was. Johannes zegt al van gelovigen: “… een ieder, die uit God geboren is, doet geen zonde; want het zaad (Gods) blijft in hem en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren”. Laat staan welke betekenis deze woorden hebben ten opzichte van dé volmaakte Gelovige, Jezus Christus. Hij was op de meest letterlijke man ieruit God geboren (zie Luc.1:31-35).

De gedachte dat de Here Jezus wel had kunnen zondigen wordt vaak gevoed door de verkeerde vertaling van het N.B.G. van Heb.4:15, waar we lezen dat de Here Jezus “in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen”. “Zie je wel”, zegt men dan, “Hij had kunnen zondigen, maar Hij heeft het (“gelukkig”) niet gedaan!” Wanneer wij echter de Staten Vertaling lezen op dit punt dan vinden wij daar de woorden letterlijk vertaald (zoals ze ook in de grondtekst staan): “Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde” (vgl. ook 1 Joh.3:5). Hij was zonder zonde, omdat Hij uit God geboren was. Daarom kón Hij niet zondigen. En juist daarom kon alleen Hij de wet volbrengen. Tijdens de aardse bediening van de Here Jezus had Hij wel een menselijk lichaam, een vlees aan dat der zonde gelijk. Zijn Goddelijke natuur was uit God geboren, zijn “lichaam des vleses” (Co1.1:22) was uit Maria. En dat lichaam was een lichaam zoals u en ik dat hebben. Een lichaam dat aan de zonde onderworpen was, met daaraan gekoppeld alle aspecten van bijv. veroudering, moeheid, honger, dorst en uiteindelijk de dood. Hij, de Zoon van God, het eeuwige Woord, Hij werd vlees en werd op gelijke wijze als wij verzocht. Een verzoeking die Hij glansrijk heeft doorstaan. Al wat Hij ondernam gelukte! Niet gehinderd door de zonde-natuur kon Hij de wet volbrengen en vooral vervullen, om zo onvergankelijk leven aan het licht te brengen. Dat was immers de “belofte” van de wet: “Wie dat doet, zal daardoor leven” (Ga1.3:12). Hij kon de eis der wet volbrengen…

Datgene wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees (waarnaar de zonde-natuur van de mens steeds weer neigt), werd mogelijk door de Zoon van God, gezonden in een vlees aan dat der zonde gelijk… En daarom lééft Hij…

De Here Jezus is gekruisigd en gestorven, maar niet ten gevolge van Zijn eigen zonde, want die had Hij niet. Hij is gestorven als gevolg van uw en mijn zonde, die Hij op zich genomen heeft (vgl. ook Jes.53:4, 5). Hebt u dat aanvaard? Hebt u aanvaard dat Hij wel kon wat wij als mens niet kunnen, omdat we van nature zondaars zijn? Hebt u Hem aanvaard als uw Verlosser van de zonde? Dan mag u weten dat u leeft met Hem. “Hem, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem” (2 Cor.5:21). Wat een rijkdom van genade!

Het leven door de Geest

Wanneer wij geloven in de Here Jezus, worden ons in genade geweldige zegeningen geschonken. De grootste zegen en de basis van alle overige zegeningen is, dat wij “in Christus” zijn en dat God ons daarom ook in Hem aanziet. Hij veroordeelt ons niet meer, als blijkt dat ons lichaam doet wat de zonde wil (Rom.8:1) Het oordeel ligt namelijk achter ons, omdat we aanvaard hebben dat Christus dat voor ons gedragen heeft.

Ons leven wordt, als nieuwe mens, niet meer beheerst door de wet der zonde en des doods (hoewel nog aanwezig in de oude mens), maar door de wet van de Geest des Levens (vgl. ook Rom.6:22 “… thans, vrijgemaakt van de zonde en in de dienst van God gekomen…”).

Hoewel geen mens kon verkrijgen wat de wet voorhield, omdat de eis der wet niet volbracht k6n worden, leven wij toch! Toen wij tot geloof kwamen hebben wij de Geest (des Levens) als onderpand ontvangen (Efe.1:13) en wandelen wij in nieuwheid des levens. Hier past slechts één enkel woord: GENADE! Gods genade is verschenen in onze levens.

Dat, wat we niet k6nden bereiken, hebben we door genade ontvangen! We zijn welzalig. Niet omdat we zelf aan de b’eschrijving van Ps.1 voldoen – nee, daaraan kímnen we niet voldoen -, maar omdat we in Hem zijn, Die het alles volbracht heeft! Hij, Die bewezen heeft de Welzalige te zijn.

En dan gebeurt er iets wonderlijks in onze levens: Wanneer wij wandelen door de Geest, ons door Hem laten leiden, alles in gemeenschap met God doen, dan werkt dat iets bijzonders uit: “de eis der wet”.

“… opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest” (Rom.8:4).

De wet laat zien wat God goed vindt voor een mens om te doen, ja, wat Hij in principe verwacht van de mens. Dit goede kan de mens echter niet uit zichzelf. Maar in Christus gaat het onder leiding van de Geest vanzelf en gaan wij voldoen (ook al kennen wij de inhoud van die wet in het geheel niet!) aan het beeld dat God heeft van de mens.

Moeten we dan als gelovigen maar weer proberen de wet te houden en die na te leven? Nee, beslist niet! Ook niet “vanuit de kracht van God?” Nee, beslist niet, want dan zijn wij het, die het proberen. En wat wij proberen komt altijd (hoe “goed” bedoeld ook) als een streven voort uit de oude mens, met als gevolg dat we in de

krampachtige situatie komen van Rom.7.

Nee, leven door de Geest! Dan gaan we, zelfs al zouden we de wet Gods niet eens kennen, doen wat goed is. Wij gaan van nature (maar dan wel vanuit de Goddelijke natuur) doen wat goed is. Dan is het niet meer uit onszelf, maar vanuit de nieuwe mens in ons, Christus. We gaan voldoen aan de eisen die God aan de mens stelt.

“Want Zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen” (Efe.2:1 0).

“… Christus Jezus, Die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een Eigen volk, volijverig in goede werken” (Tit.2:13, 14).

Onder de wet gold: “Doe dat en leef!”

Onder de genade geldt: “Leef! En je zult gaan doen”.

Twee reactie’s

Wanneer wij deze dingen vanuit het Woord verkondigen, zien wij dat dat in grote lijnen twee reactie’s teweeg brengt.

Enerzijds wordt soms gezegd, dat het Christelijke leven op deze manier wel wat al te gemakkelijk zou zijn. We moeten toch op z’n minst proberen Gods geboden te houden en elkaardaar regelmatig aan herinneren.

Anderzijds lijkt het er op dat anderen er “op los kunnen leven”, immers “er is geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn…”.

Welke Bijbelse antwoorden moeten we hierop geven?

1. Wetticisme

Voor wat betreft de eerste reactie moeten we wijzen op het gevaar van wetticisme (proberen te leven volgens de letter der wet). We zullen dan, zoals al eerder gezegd, weer vervallen in een leven van krampachtigheid, wat uiteindelijk zal leiden tot een gebonden leven!

In de Schrift vinden wij het Heilsplan van God opgetekend, het plan dat Hij volvoert in de Here Jezus Christus. Hoewel het uit Bijbelstudie’s en preken niet altijd blijkt (!), spreekt het Woord van God in de eerste plaats over Christus. We zijn zo gauw geneigd om de Bijbel te lezen als een boek, waarin het over ons, mensen gaat. Vragen die dan vaak klinken zijn: “Welke bemoediging ligt er in voor ons?”, “Wat heeft Gods Woord mij te zeggen?” En hoe goed het op zich ook is dat deze vragen gesteld worden, laat het toch zo zijn dat wij, bij het Bijbellezen, ons afvragen: “Wat heeft dit gedeelte te zeggen over Christus?” “Wat wordt hier gezegd over het werk dat God in Hem doet?” Immers de Schriften spreken op alle mogelijke manieren van Hem (zie bijv. Joh.5:39; Hand.10:43; 1 Ffet.1:10, 11; Openb.19:10, de laatste zin van dit vers), en over het plan dat God door Hem volvoert (zie bijv. Jes.53:10, “… het voornemen des HEREN zal door Zijn hand voortgang hebben”, vgl. ook Efe.3:11). Wanneer we dit voornemen, dit plan des HEREN bestuderen, zoals het in de Bijbel tot ons komt, dan ontdekken wij minstens drie belangrijke aspecten:

  1. God heeft een doel, en om dat doel te bereiken heeft Hij een plan.
  2. God volvoert dat plan in opeenvolgende fasen.
  3. Het Woord van God spreekt over die verschillende fasen en spreekt tot gelovigen, die in die verschillende fasen geleefd hebben, leven en zullen leven.

Het doel van God (punt 1) vinden wij beschreven in 1 Cor.15:28: “… opdat God zij alles in allen”. Datzelfde vers beschrijft ons, dat dat doel bereikt wordt in Christus: alle dingen (die in de hemelen zijn en die op de aarde zijn, zie Co1.1:16a, 20) zullen Hem onderworpen zijn.

In de Here Jezus Christus komt God (de Vader) dus tot Zijn doel. En de Bijbel laat zien dat dat door verschillende heilsperioden gebeurd (punt 2). M.b.t. ons onderwerp zijn twee van die fasen van belang: ‘Wet en genade”. Deze twee gaan Bijbels gezien, wat hun werking betreft niet samen. K0nnen niet samen gaan, zoals we al eerder in dit hoofdstuk gezien hebben (zie ook bijv. Rom.11:6). Maar ook wanneer wij wet en genade zien in het licht van het plan van God, zien we dat zij Gods instrumenten zijn in twee verschillende perioden. In grote lijnen handelde de Here d.m.v. de wet, in de periode van Mozes tot Christus (d.w.z. tot Zijn kruisdood). Terwijl de genade pas ging “regeren” toen de wetsperiode beëindigd was (Joh.1:16, 17; vgl. ook Heb.3:1-6).

Rom.10:4 zegt: “Want Christus is het einder) der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft.

Dit vers geeft ons twee belangrijke kanten van de zaak:

  • In Christus is de periode van de wet binnen Gods heilsplan beëindigd.
  • Voor wie het nu nog in zijn of haar leven van dewet verwacht, houdt die verwachting op (zou op moeten houden!), zodra hij of zij gaat geloven in Christus. Immers dan geldt: “Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden…” (Rom.3:21)

Het derde van de 3 bovengenoemde punten, laat zien dat Gods Woord geopenbaard is over en aan de verschillende groepen van gelovigen die in die onderscheiden heilsperioden leven. Wanneer wij ons aan deze belangrijke Bijbelse regel houden, voorkomen wij dat wij dingen op ons gaan betrekken, die niet over ons gaan. Dan voorkomen wij dat wij opdrachten (maar ook bijv. het houden van de wet) gaan uitvoeren, die ons als leden van het Lichaam van Christus niet gegeven zijn. Dan voorkomen wij dat wij eindtijdprofetieën in vervulling “zien” gaan, terwijl de eindtijd (zoals de Bijbel hierover spreekt) nog niet eens is aangebroken!

Lees eens aandachtig 2 Tim.2, de verzen 15 t/m 18 (vgl. de N.B.G. met de Statenver-taling), waar gesproken wordt over het op de juiste wijze verdelen van het Woord der waarheid (d.w.z. in overeenstemming met het voornemen (plan) des HEREN), en het gevaar dat er is, wanneer we dit niet doen! Een gevaar dat hier in 2 Tim.2 tot uitdrukking komt in de (dwaal)prediking van Hymene0s en Filetus, die iets verkondigden, wat in volkomen tegenstelling was met Gods plan: Zij lazen en verkondigden Gods Woord niet in overeenstemming met Gods Plan der eeuwen. Zij verdeelden het Woord der waarheid niet juist/recht!

Ook wanneer wij lezen over wet en genade, behoren wij juist datgene uit Gods Woord te lezen, wat op ons betrekking heeft. En wanneer wij dan bijvoorbeeld in de brieven van de apostel Paulus (die als enige schrijft over en aan (leden van) het Lichaam van Christus) lezen, dat Christus het einde der wet is, tot gerechtigheid voor een ieder die gelooft, dan passen daar geen “Ja-maar’s” meer. Dan kunnen we enkel zeggen: “Amen!”

2. Vrijheid

Behalve een reactie van wetticisme is er ook een andere reactie, die eigenlijk doorslaat naar de andere kant. De vrijheid waarin men dan meent te kunnen leven, is grenzeloos, immers “Gods genade bedekt alle dingen”. Het leven zonder wet mondt ‘dan uit in wetteloosheid.

Het is bijzonder bedroevend wanneer we constateren dat er zó op de prediking van de Genade van God gereageerd wordt. Er wordt-een bijzonder grote, en vaak veel te eenzijdige, nadruk gelegd op onze positie in Christus. En laat er geen misverstand over bestaan: onze positie in Christus is geweldig. Alleen, wanneer dan naar de praktijk van het geloofsleven gekeken wordt, blijkt dat van die positie totaal niets begrepen wordt. “Wij kennen elkaar niet meer naar het vlees, alleen nog in Christus”, zegt men dan, terwijl men bezig is met allerlei dingen die slechts leiden tot bevrediging van het vlees, de oude mens; Dus kent men elkaar en zichzelf toch naar het vlees.

Het evangelie der genade Gods heeft twee kanten.

Enerzijds mogen we wijzen op het feit dat we, als gelovigen, door genade in Christus geplaatst zijn. God ziet ons aan in Hem! En in dat opzicht zijn we rein en heilig en zijn we nieuwe mensen! Uit de nieuwe natuur (die uit God geboren is) kan geen zonde voortkomen (1 Joh.3:9)! Ook wij hebben die nieuwe natuur ontvangen en hebben deel aan de nieuwe schepping. En ook wij kunnen, wat betreft onze nieuwe mens niet zondigen!

Anderzijds hebben wij die nieuwe natuur ontvangen in het oude lichaam, in deze oude schepping (zie hfdst.3 van deze brochure)!

En daarom is er een praktijk van alle dag… En daarom is de andere zijde van de boodschap van Gods genade gericht op de uitwerking van die genade in onze levens.

In hfdst.2, waar we hebben stilgestaan bij wie wij zijn in Christus, hebben we al gezegd dat Paulus wel degelijk vermaant (minstens de helft van alles wat hij schrijft!), echter altijd vanuit onze positie. Natuurlijk: we zijn volkomen verlost van onze zonden, ze worden ons zelfs niet meer toegerekend en we hoeven er zelfs geen rekenschap meer van af te leggen (zie Rom.8:1), maar als wij (opzettelijk) leven in zonde, hebben we er niets van begrepen.

O ja, wij hebben volkomen vergeving ontvangen en we hoeven daar zelfs niet meer om te vragen (Efe.1:7), maar als wij in haat en nijd onder elkaar leven, hebben we er niets van begrepen.

We zijn rein en heilig in Christus (Tit.2:14), maar als dat allemaal geen uitwerking heeft in onze levens, hebben we er niets van begrepen.

Zie in de Statenvertaling Efe.2:17-23, in het bijzonder vs.20: “Doch gij hebt Christus alzo niet geleerd…”

Paulus leert ons dat we met Christus gekruisigd, gestorven en opgestaan zijn. “Dit weten wij immers, dat onze oude mens is medegekruisigd…” (Rom.6:6). “Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus (Rom.6:11). ”Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam…” (Rom.6:12). Lees in dit opzicht ook eens Rom.6:15-23!

Zoals al eerder gezegd: alswe de genade van God op de juiste wijze laten uitwerken in ons leven, gaan wij (door genade!) doen wat God welgevallig is. De eis der wet wordt dan vervuld. Zien we deze uitwerking niet (vgl. 1 Joh.3:4), dan laten we Zijn genade niet op de juiste maniertot ons doordringen. En in het ergste geval misbruiken we dan Gods genade.

Natuurlijk is het schrijven en spreken over deze dingen (vaak) gemakkelijker dan de praktijk. Het is moeilijk om de Heer te laten werken in onze levens, te wandelen in de werken die Hij tevoren in Christus bereid heeft. Zeker omdat we als mens zo gauw geneigd zijn zélf bezig te zijn voor de Heer. Toch mogen we met deze dingen bezig zijn voor Gods aangezicht en het van Hem verwachten.

Dan leren wij de rijkdom en diepte van Gods genade kennen in onze levens, en de rust, vrede en dankbaarheid, die daaruit voortvloeit.

HOOFDSTUK 5

Nogmaals:
Bevorderd tot heerlijkheid

Tot besluit van al het voorgaande, willen we nogmaals kort stil staan bij onze bevordering tot heerlijkheid. Nu niet, zoals in hfdst.2, met betrekking tot onze wedergeboorte, maar in verband met onze vereniging met Christus. Het moment waarop we in praktische zin zullen bereiken, wat we nu in onze positie in Christus al ontvangen hebben.

Leven in de hoop van het eeuwige leven…

De uitdrukking “hoop des eeuwigen levens” komen wij driemaal tegen in de brief van Paulus aan Titus. In het eerste en het laatste hoofdstuk letterlijk (1:2 en 3:7). In het tweede hoofdstuk onder de naam “de zalige hoop” (vs.13). In dit laatstgenoemde vers zien wij dat de zalige ( = gelukkige) hoop door ons verwacht wordt samen met met “de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus”.

De verwachting van die zalige hoop én de verschijning van onze Here Jezus Christus is een gevolg van de werking van de genade van God in onze levens. En daarom zou elke gelovige een “maranatha-Christen” moeten zijn.

De term “maranatha-Christen”, als benaming voor bepaalde gelovigen, zou eigenlijk overbodig moeten zijn! Want wanneer we ons door de Genade van God laten opvoeden, heeft dat een uitwerking op ons leven (Tit.2:12, waar dingen genoemd worden, die we in het vorig hoofdstuk genoemd hebben), en worden wij mensen met hoop, mensen met toekomst!

Dan is ons verlangen: “0 Heer, kom” (maranatha) en dan is ons getuigenis: “De Heer komt!” (maranatha).

Wat onze positie betreft zijn we in Christus geplaatst in de hemelse gewesten (Efe.2:6). We zien daar echter nog niet zoveel van, want ons lichaam maakt nog deel uit van de oude schepping. We hebben echter een zalige hoop ontvangen, geen hoop in dfe zin, dat we het allemaal nog maar af moeten wachten. Nee, onze hoop is een zekere verwachting. Net zo zeker als wij nu van binnen nieuwe mensen zijn, zo zeker zal ook onze buitenkant daaraan gelijk worden. Het leven van de gelovige wordt geleid door de Heilige Geest, dat is tenminste Gods bedoeling met ons leven. Maar zelfs al zouden wij niet naar de Geest wandelen, maar naar het vlees, toch hebben wij Gods Geest in ons. De Geest van God zal in de heilsperiode waarin wij leven nooit van (uit) iemand genomen worden door de Heer, wat hij of zij ook doet! Toen wij gelovig werden zijn wij verzegeld met de Heilige Geest der belofte (de belofte van het eeuwige leven!), “Die een Onderpand is van onze erfenis…” (Efe.1:13, 14). Ieder die ooit z’n leven aan God heeft toevertrouwd heeft de Heilige Geest als onderpand, ongeacht zijn leven daarna! Dit is te danken aan Gods liefde (Rom.8:38, 39) en rechtvaardigheid. Een onderpand is namelijk een voorwerp dat je pas kwijt raakt op het moment dat je datgene, wat het vertegenwoordigt ontvangt. God heeft Zijn Zegel op ons gedrukt als bewijsstuk dat wij (lichamelij k en zichtbaar voorde ogen van ons lichaam), deel zullen hebben aan de erfenis, die wij in Christus zullen ontvangen. Wanneer wij verenigd zullen worden met Hem, geven wij als het ware ons Onderpand terug om tegelijkertijd de erfenis te ontvangen, waartoe wij juist dat Onderpand als bewijsstuk ontvangen hadden.

En daarom is de hope des eeuwigen levens geen wankele hoop, nee het is enkel zekerheid, gewaarborgd in het bestaan van God, Die door Zijn Geest in ons woont!

Wat een zekerheid en genade!

Nu zegt Paulus:

“… in de hoop des eeuwigen levens, dat God, Die niet liegt, vóór eeuwige tijden beloofd heeft…” (Tit.1:2).

In de 2de Timothesbrief zegt hij:

“… (God), Die ons behouden heeft en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar Zijn Eigen voornemen en de genade, die ons in Christus Jezus gegeven is vóór eeuwige tijden, doch die nu geopenbaard is…” (1:9, 10a).

God heeft ons in Christus genade geschonken, die nu geopenbaard is en God heeft ons in Christus eeuwig leven geschonken, dat nog geopenbaard zal worden. En dat alles reeds “v66r eeuwige tijden”. Wat wil dit alles nu zeggen?

Wel, wij zien dat er in de Bijbel over verschillende eeuwen gesproken wordt. Zo is erde eeuw(igheid) die erwasv66rdat er nog maar iets geschapen was, een eeuw zonder begin. En in de toekomst zal er een eeuw(igheid) zijn waarin God alles in allen zal zijn, een eeuw zonder einde. Daartussenin liggen een aantal eeuw(ighed)en, die wél tijdelijk zijn, de eeuwen waarin de schepping bestaat. Denk bijvoorbeeld aan de ‘tegenwoordige boze eeuw” (in Ga1.1:4, vertaald met “wereld”) en de toekomende eeuw, de eeuw waarin onder meer het Koninkrijk met Christus als Koning openbaar zal worden (vgl. Efe.1:20-22a met 1 Cor.15:25-27). Over de eerste en de laatste eeuwigheid spreekt de Bijbel bijv. in Ps.90:

“… eer de bergen geboren waren en Gij aarde en wereld hadt voortgebracht, ja, van eeuwigheid (vóór deze schepping en tijd) tot eeuwigheid (na deze schepping en tijd) zijt Gij God” (vs.2).

De “eeuwige tijden” zijn tijden, binnen de verschillende tijdperken, die tussen die eerste en laatste eeuwigheid in liggen. De tijdperken waarin deze tegenwoordige schepping (en de daaraan gekoppelde tijd) bestaat.

En nu zegt Paulus ons dat Gods reeds in de eeuwigheid, toen er nog niets zichtbaars geschapen was en er ook geen tijd bestond (vgl. 2 Cor.4:18), genade en eeuwig leven beloofde in Christus Jezus. Reeds toen had Hij Zich voorgenomen om Zijn rijkdom van Zijn genade te tonen door het Lichaam van Christus. Het feit dat het heil tot de heidenen gezonden werd, nadat Israël het als volk had afgewezen (zie bijv. Hand.28:28), was niet zomaar een “noodsprong” of een “uitweg”. Nee, God had het zo bedoeld! En door menselijk ongeloof kon Zijn Plan ook wat de Gemeente van Christus betreft tot vervulling komen! Een aspect van Zijn Plan dat van eeuwen her verborgen was gebleven in God, de Schepper van alle dingen, maar dat door de bediening van de apostel Paulus geopenbaard is (Efe.3:9, 3; Tit.1:2b-3a).

“Hem nu, Die bij machte is u te versterken – naar mijn evangelie en de prediking van Jezus Christus naar ( = in overeenstemming met) het geheimenis, eeuwenlange) verzwegen, maar thans geopenbaard en door profetische schriften volgens bevel van de eeuwige God tot bewerking van gehoorzaamheid des geloofs bekendgemaakt onder alle volken – Hem, de alleen wijze God, zij, door Jezus Christus, de heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen” (Rom.16:25-27).

Het einde

Inmiddels leven wij in het einde van de periode van het geheimenis, waarvan we zojuist in Rom.16 lazen, dat dit eeuwige tijden verborgen geweest is. Het zal niet lang meer duren of de eindtijd zal aanbreken en God zal Zijn Plan met Israël en de volkeren tot volvoering gaan brengen.

Maar voordat het zover is zullen wij eerst tot heerlijkheid bevorderd worden. En zullen wij “aan den lijve” ondervinden, wat we nu reeds geestelijk mogen ervaren: nieuwheid des levens. We zullen veranderd worden aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijIwormig (Fil.3:20, 21). “Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen” (1 Cor.15:53). Op dat moment zullen wij in een volkomen harmonie met ons (dan verheerlijkte) lichaam kunnen leven. Op dat moment zal blijken dat de verlossing die de Heer in onze levens bewerkt heeftvolkomen is.Ja, dan zal het beeld van de stoffelijke, de aardse, Adam, verwisseld worden voor het beeld van de hemelse, de laatste Adam, de tvveede Mens.

Door genade zijn wij behouden (verleden) en in die hoop zijn wij behouden (toekomst) (Efe.2:5, 8; Rom.8:24). Met Paulus mogen we zeggen: “Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is, niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees (betekent hier: het oude lichaam) leef, leef ik doorhet geloof van de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven” (Ga1.2:20).

De Koning der eeuwen,
de Onvergankelijke,
de Onzienlijke,
de enige God,
zij eer en heerlijkheid
in alle eeuwigheid!

Amen

(1 Tim.1:17)