De narcist beschreven volgens de Bijbel

Isa 32:6  Want een dwaas spreekt dwaasheid, en zijn hart doet ongerechtigheid, om huichelarij te plegen, en om dwaling te spreken tegen den HEERE, om de ziel des hongerigen ledig te laten, en den dorstige drank te doen ontbreken.

En er bevinden er nogal een boel in de samenkomst en zodra je daar in de goegemeente wat van zegt dan worden ze bijgestaan en niets aan afgedaan.

Alle lange mensen gaan naar de hel

Sinds korte tijd ben ik weer lid van de Klub Lange Mensen en de groep zouden een zomerweekend hebben gehad die door corona geen doorgang vond. Omdat ik tóch een stuk verantwoordelijkheid heb, heb ik ze voorzichtig voorgelegd dat alle komende  happenings teniet zullen worden gedaan en dat wie aan het leven hecht maar beter.. en plakte de ABC van pastor JD Farag eronder. In minder dan een minuut was het bericht verdwenen, niet door facebook maar door de Klub Lange Mensen. Ben ik de enige lange mens die niet hoogmoedig is? Ik hoop het niet anders gaan ze me straks allemaal voor Saul aanzien.

De Palestijnse Staat

door Ab Klein Haneveld

Zefanja, hoofdstuk 2. Vers 1 ‑ 7.

  1. Doorzoek uzelf nauw, ja doorzoek nauw, gij volk, dat met geen lust bevangen wordt!
  2. Eer het besluit bare (gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hittigheid van des Heeren toom over ulieden nog niet komt; terwijl de dag van de toom des Heeren over ulieden nog niet komt.
  3. Zoekt den Heere, alle gij zachtmoedigen des lands, die Zijn recht werken! Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gij verborgen worden in den dag van den toom des Heeren.
  4. Want Gaza zal verlaten wezen, en A’skelon zal ter verwoesting wezen; Asdod zal men in de middag verdrijven, en Ekron zal uitgeworteld worden.
  5. Wee den inwoneren van de landstreek der zee, den volken der Cherétim! Het Woord des Heeren zal tegen ulieden zijn, gij Kanaän, der Filistijnen land! En Ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn.
  6. En de landstreek der zee zal wezen tot hutten, uitgegraven putten der herders, en betuiningen der kudden.
  7. En de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van Juda, dat zij daarin weiden; des avonds zullen zij in de huizen van A’skelon legeren, als de Heere, hunlieder God, hen zal bezocht, en hun gevangenis zal gewend hebben.

Wat we vinden, in dit hoofdstuk is, volgens wat er boven staat, ‘Bedreigingen tegen verschillende volkeren’.
Dat mag dan zo wezen, maar die volken worden toch wel tamelijk nauwkeurig gespecificeerd en het eerste volk, tegen welke dan deze bedreigingen geuit worden, is het volk dat woont te Gaza, volgens vers 4, en wat woont in Askelon, Asdod en Ekron, vier plaatsnamen achter elkaar in vers 4.
Daarna wordt het genoemd de inwoneren van de landstreek der zee, de volken der Cherétim. Wat dat ook wezen mag, want daar bestaat nogal wat verschil van mening over. In ieder geval de landstreek der zee en daarmee heet het Kanaän en vervolgens heet het der Filistijnen land en daarna wordt gezegd Ik zal U verdoen enz.

In vers 7 wordt met nadruk gezegd dat dat land vervolgens gegeven zal worden aan het overblijfsel van het huis van Juda. Deze profetie staat bovendien met grote nadruk in verband met wat genoemd wordt in vers 2 : ‘de hittigheid van des Heeren toom’, vervolgens heet het: ‘de dag van den toorn des Heeren’ en aan het einde van vers 3 heet het eveneens: ‘den dag van den toorn des Heeren’.

Dat het daarbij dus gaat om de dag des toorns ‑ een betrekkelijk vaste uitdrukking ‑ en dat het gaat om de dag des Heeren, lijkt mij een duidelijke zaak. Beide uitdrukkingen worden hier dan ook gecombineerd, iets wat op andere plaatsen trouwens ook voorkomt, zoals wel drie uitdrukkingen van deze aard met elkaar worden verbonden.

Als we lezen in Openbaring 6, dan lezen we daar, dat ter gelegenheid van het einde van de 70′ week van Daniël, zo wordt het daar helemaal niet genoemd hoor, daar lezen we dat ter gelegenheid van de verduistering van zon, maan en sterren, en dat is aan het einde van de 70e week van Daniël, nou ja, volgens Mattheüs 24 in eik geval, dat bij die gelegenheid de mens in het algemeen en vooral de machtigen, de koningen der aarde, enz. een schuilplaats zullen zoeken tussen de bergen, in de kloven der steenrotsen, of hoe het maar heten mag.

Een uitdrukking die tot mijn verbazing ook vele malen in de Bijbel voorkomt, is de uitdrukking daar in Openbaring 6: ‘Bergen valt op ons, en heuvelen bedekt ons, enz. en bescherm ons, verberg ons voor het aangezicht des Heeren’.
Ik zou geen reden weten waarom die bescherming ook niet daadwerkelijk zou plaatsvinden en waarom het gelovig overblijfsel inderdaad niet een toevlucht zou zoeken in de kloven der steenrotsen, temeer daar deze term ‘kloven der steenrotsen’ in de Bijbel gewoonlijk genoemd wordt ‑ heel expliciet ‑ in verband met het gebied van Edom, en dus Paran, Petra en al die dingen waar we het al vaker over gehad hebben dus daar ga ik nu niet verder op in.

Het is dus de dag des toorns. Het is tegelijkertijd het aanbreken van de dag des Heeren, want in Openbaring staat: ‘Zon, maan en sterren worden verduisterd en dan begint de dag des toorns (laatste verzen van Openbaring 6) en in Joël 2 wordt gezegd dat zon, maan en sterren verduisterd worden voordat de dag des Heeren komt. In Mattheüs 24 staat: ‘zon, maan en sterren verduisteren terstond na de verdrukking van die dagen’ en dus terstond na de drie en een half jarige verdrukking over het Joodse land, in de tweede helft van de 70e week van Daniël.

De gedachte is dus, om de dingen weer even snel op een rijtje te zetten, dat in de tweede helft van de 70e week van Daniël het oordeel van de Heer komt over een ongelovige Joodse staat en stad. Het loopt uit op de verwoesting van Jeruzalem, maar nog veel meer wordt verwoest.
Bovendien verschijnt bij die gelegenheid de Heer zelf. Men zegt wel verschijnt, maar eigenlijk moet je dat voorvoegsel weglaten, dan wordt het: schijnt de Heere’, want Hij is de enige die dan schijnt, omdat zon, maan en sterren zullen verduisterd worden. De hemel zal verduisterd worden en dan zal in de hemel schijnen het teken van de Zoon des mensen en Hij zal komen op de wolken des hemels en Hij zal zijn voeten zetten op de Olijfberg, een gescheurde Olijfberg bij die gelegenheid, en een gelovig overblijfsel uit Juda, in het bijzonder uit Jeruzalem, zal dan dus kunnen vluchten uit Palestina, uit Jeruzalem naar de woestijn.

Op dat moment eindigt niet de verdrukking. Op dat moment begint officieel de verdrukking, het oordeel Gods, de dag des Heeren, dat is het oordeel des Heeren. Dat begint dan over de volkeren der aarde met ingang van diezelfde gelegenheid. De Bijbelse gedachte is kennelijk, dat vanaf dat moment in de eerste plaats een oordeel zal komen over Edom, dan ook Egypte, ‘Vervolgens over Libanon (Tyrus en Sidon) en over Syrië. Dat zijn zo ongeveer de buurlanden. Moab trouwens ook, maar dat valt buiten dit Schriftgedeelte en behandelen we op dit moment niet.

Waar het nu wel om gaat, is dat bij diezelfde gelegenheid volgens deze profetie, een oordeel van de Heer zal komen over de Filistijnen. Het oordeel gaat naar de Filistijnen.

Deze lange inleiding was om aan te geven dat deze profetie op geen enkele wijze kan worden beschouwd als vervuld in het verleden. Het is best mogelijk dat deze profetie in het verleden een of andere toepassing gehad heeft en dat er gebeurtenissen zijn geweest in het verleden, die aanleiding waren voor deze profetie.
Hetzelfde geldt voor de profetieën over de val van Jeruzalem. Per slot is het al verscheidene malen gebeurd.
Hetzelfde geldt ook voor het oordeel over Edom. Petra of Sela is al verscheidene malen ingenomen door andere volkeren, enz.

Waar het om gaat is dat hier in dit Schriftgedeelte met grote nadruk gesproken wordt over de komst van de dag des Heeren, de komst van de dag van de toorn des Heeren, enz.
Het gaat dus inderdaad over de gebeurtenissen die zullen plaats‑ vinden in de toekomst.

Wat ons het meest zou moeten opvallen in dit Schriftgedeelte, is het verschijnsel dat er een oordeel zou komen over de Filistijnen in de dagen van de wederkomst van Christus.
Als je dit honderd jaar geleden gezegd zou hebben, dan had je met een probleem gezeten. In onze dagen niet, want Filistijnen wonen in Filistea, of anders gezegd Palestijnen wonen in Palestina.
Dat is nu geen enkel probleem, want men is hard bezig met de opbouw van wat inmiddels al bestaat, namelijk een Palestijnse Staat !

Ongeveer honderd jaar geleden was het eerste zionisten‑congres in Basel, maar toen hadden de zionisten zelf nog niet eens het idee dat ze die staat, die ze nastreefden, wilden vestigen in Kanaän of in Palestina, ze hadden nog andere stukken land in gedachten, want Kanaän leek hen te moeilijk. Zo sterk was hun binding met dat land ook niet, want zionisten waren bepaald niet religieus. Ze hadden dus geen religieuze binding met dat land of met heilige plaatsen.

Niettemin, als men de Bijbelse profetieën serieus genomen zou hebben, dan zou men tot de conclusie komen, ook 100 jaar geleden, dat er dus weer zo’n ongelovige Joodse staat zou moeten komen, want de Bijbel spreekt erover. De Heer kan onmogelijk een oordeel brengen over een ongelovige Joodse staat, als zo’n staat niet bestaat. Dat is eigenlijk het belangrijkste argument op grond waarvan men in het verleden moest concluderen dat er zo’n staat zou komen.
Dat deed men ook, ik kan het u zwart op wit laten lezen in boeken van meer dan 100 jaar oud. Waar men de Bijbel serieus nam, geloofde men dat ook.

Mijn punt is nu, dat als de bijbel spreekt over een oordeel over der Filistijnen land, dan betekent dat ‑ ook 150 jaar geleden ‑ dat er dus weer een land der Filistijnen zou moeten zijn. Een land waar Filistijnen wonen en zelfs, als het even kan, een Filistijnse, zelfstandige staat. Anders kan het niet in het oordeel komen, het moet er zijn, anders gaat het niet.
Hetzelfde geldt trouwens voor nog wat andere landen in het Midden-Oosten, want veel van die landen zijn pas ontstaan door en dus sinds de eerste wereldoorlog. Jordanië is ook niet ouder dan dat.

Op grond van de Bijbelse profetie, waaronder deze van Zefanja 2, kon geweten worden dat er ooit weer een keer zo’n Palestijns volk op een of andere wijze zou verschijnen. Hoe, dat was moeilijk te zeggen, natuurlijk. Een ongelovige Joodse staat, dat kun je voorzeggen. Dan kun je zeggen: “De Joden zullen op een of andere wijze initiatief ontwikkelen om zo’n staat te vestigen en dat zal hen kennelijk lukken”, maar waar je zo gauw Palestijnen of Filistijnen vandaan haalt, dat kon je niet weten.”
De (wrange) grap is: terwijl de Joodse staat ontstond, ontstond dus ook de Palestijnse. Het gebeurde iets later, maar het gebeurde naar aanleiding daarvan.
Als er geen Joodse staat ontwikkelt zou zijn en tot stand gekomen zou zijn in 1948, dan zou er nu niet een Palestijnse staat bestaan, maar hij bestaat inmiddels en op dit moment vinden er onderhandelingen plaats tussen de Joodse staat en de Palestijnse staat.
Beiden zullen echter geoordeeld worden. Te vrezen is bovendien, dat beiden dezelfde hoofdstad zullen hebben, officieel, althans voor korte tijd, hooguit drie en een halfjaar, maar zeker geen zeven jaar. Niettemin blijft Gaza de belangrijkste stad van de Palestijnen en dat is het ook inderdaad.
De aardigheid is nu, wij kennen uit de oudtestamentische geschiedenis het land der Palestijnen, dat heette ook Palestina, of Filistea, afhankelijk van in welke taal het op je kaart staat.
Dat is inderdaad dat gebied, wat wij nu de Gaza‑strook noemen. Dat is heel stom, want men heeft het hele land Palestina genoemd.
Hoe noem je nu het gebied waar de Palestijnen vroeger woonden, de Filistijnen, in de oudtestamentische geschiedenis? Palestina, zult u zeggen, maar dat kan niet, die naam hebben we een andere betekenis gegeven, dus nu heet het de Gaza‑strook. Genoemd naar Gaza, de belangrijkste stad, eigenlijk de hoofdstad van het gebied.
Het is de kuststrook aan de zuid‑westzijde van het land, op de route naar Egypte. Het ligt zo’n beetje tussen de grens van Egypte en de grens van Kanaän in, de grens van het tegenwoordige Israël.

In de oudtestamentische geschiedenis lezen wij steeds opnieuw over de vijf steden der Filistijnen en dus ook over de vijf koningen, want wat wij een burgemeester noemen, heette vroeger een koning. Ze worden in de geschiedenis nogal wat keren vermeld.

Die vijf steden waren: Gaza, Askelon, Asdod, Gath en Ekron. Ik heb er vroeger niet uitgebreid bij stilgestaan, maar ik heb me er wel eens over verbaasd dat in de profetieën nooit meer dan vier steden der Filistijnen genoemd worden.
Dat is ook het geval hier, in Zefanja. Daar staat namelijk in vers 4: Gaza, Askelon, Asdod en Ekron. Dat zijn er vier, de vraag is nu: waar is nummer vijf?

Dit is vrij gebruikelijk in de bijbel. Als er vijf zijn, is er meestal één van de vijf zoek, één van de vijf daar is iets mee. Daar gaat het nu niet om, maar het is wel opmerkelijk.
De vraag is natuurlijk, waarom in de profetieën die vijfde stad niet genoemd wordt. Dat is heel eenvoudig, hij bestaat namelijk niet meer.
Die andere vier steden die bestaan wel, zodat het inderdaad in onze dagen onmogelijk is dat er verwoesting komt over Gath. Dat is namelijk nergens voor nodig, Gath is al verwoest, al kan men niet meer met zekerheid de locatie aanwijzen.
Er zijn verschillende opties voor, op verschillende kaarten wordt het verschillend aangegeven, men weet het niet. Je vindt daar in de buurt natuurlijk overal ruïnes, maar welke nu precies Gath is geweest, daar is men niet zeker van. Gath bestaat dus niet meer. Van de vijf steden der Filistijnen zijn er ‑ in onze dagen ‑ nog maar vier en dat zijn precies die vier die steeds in de profetieën genoemd worden, hier en op nog een paar andere plaatsen, die wij later nog zullen opzoeken.

De bijzonderheid van het verhaal is, dat Gaza, dat ook meestal als eerste genoemd wordt, inderdaad beschouwd wordt als de hoofdstad van de Palestijnen, maar het eigenaardige is dat Askelon, Asdod en Ekron, meer naar het noorden gelegen, helemaal geen deel uitmaken van het zogenaamde Palestijnse territorium of de Palestijnse staat, nu. Het zijn namelijk Joodse steden en zelfs geen kleine, maar grote belangrijke steden, echter, ze maken geen deel uit van de Palestijnse staat. Het is helemaal geen Palestijns gebied.

Aan de andere kant bestaat er een ander probleem, namelijk dat Israël in één van de laatste oorlogen, indertijd een belangrijk gebied bezet heeft, wat tevoren in handen was van de Arabieren. Men noemt ze dan automatisch weer Palestijnen, natuurlijk.
Dat gebied is wat men noemt de Westbank, namelijk de westelijke oever van de Jordaan en vergis u niet, dat is geen strookje land langs de Jordaan, maar dat is een flink stuk. Feitelijk beslaat het het grootste deel van het land gelegen tussen de Jordaan en de Middellandse Zee. Het breedste gedeelte.

Op de kaart ziet men de kust van de Middellandse Zee, het Jordaandal en die dikke streep is de grens van de Westbank, eigenlijk het breedste deel van het land.
Dat heet dan officieel bezet gebied. Hier in dit hoekje vindt u de Gaza­strook, tot aan de grens met Egypte, daar in het noorden ervan ligt Gaza, maar Askelon, Asdod en Ekron en eventueel Gath ‑ voor zover het bestaat ‑liggen buiten dat gebied, die liggen in het gebied van de tegenwoordige staat Israël.
Aan de andere kant, zijn er zeer belangrijke plaatsen voor de Joden gelegen op de zogeheten Westbank en eigenlijk, als u het mij vraagt, horen daar de meest belangrijke namen van de stammen van Israël thuis.

U weet dat men indertijd Jeruzalem veroverd heeft, al wordt dat niet meteen gerekend tot de bezette gebieden, maar het gedeelte zuidelijk van Jeruzalem, is van oudsher eigenlijk het gebied van de stam van Juda, het echte Judea dus.
Het gebied van Jeruzalem zelf, die smalle strook, is het gebied van de kleine stam van Benjamin.
Het grote gebied ten noorden van Jeruzalem, met de stad Samaria in het midden, is het gebied van Efraïm. Zodat we naast elkaar hebben: Juda, Benjamin en Efraïm, van onder naar boven dus.
U herkent meteen de belangrijkste stammen van Israël: Juda staat eigenlijk voor het twee stammen rijk.

Efraïm, met de hoofdstad Samaria, staat voor het tien stammen rijk. Benjamin, die eigenlijk bij het tien stammen rijk hoort, maar bij het twee stammen rijk werd toegevoegd, die (volgens de oudtestamentische profeten) de verbinding zal maken, ligt daar ook inderdaad tussenin.

Het punt is nu, dat in onze dagen de Palestijnen natuurlijk die Westbank, het hele gebied van Judea en van Efraïm, claimen als hun grondgebied en de achtergrond daarvan is, dat indertijd dat gebied in hun handen was, maar in één van de laatste oorlogen is het veroverd door de Joodse staat.
Men noemt het dus bezette gebieden en men wil dat die bezetting verdwijnt. Of het echt als bezet beschouwd moet worden, staat ter discussie.
Men noemt het hardnekkig zo en als je die term altijd gebruikt, denkt iedereen dat het zo is, met als gevolg dat men vindt dat Israël zich moet terugtrekken uit die bezette gebieden.

De kans dat dat gebeurt acht ik zeer gering, omdat het juist een heel belangrijk gebied van de Joodse staat is, het is ook heel gevaarlijk als daar de vijand woont.
Bovendien is het van groot historisch belang omdat het van oudsher de grote gebieden zijn van de oorspronkelijke Israëlitische staten in de dagen van David.
Vandaar dat je ook ziet, dat de tegenwoordige staat Israël met grote voortvarendheid nederzettingen bouwt op de zogenaamde West‑ bank.
Laat u dus niet misleiden door de naam, dat u denkt het is alleen maar het oevergebied, het is een verbazend groot deel, het is het hart van het land.

Het ziet er niet naar uit, dat de Joodse staat vandaag bereid is om dat land terug te geven. Men is voortvarend bezig zich daar te vestigen en terugtrekken wordt dan ook bijna onmogelijk. Er is nauwelijks een politieke grond voor te vinden.

De eenvoudige gedachte wordt dan dat, als de Palestijnen via hun onderhandelingen niet het recht krijgen op die zogenaamde Westbank, als Israël die Westbank niet teruggeeft, dan weet u toch wat er gaat gebeuren.
Dan zeggen die Palestijnen: Als je het dan echt niet terug wil geven, geef dan maar een ander stuk. Welk stuk? Het stuk waarop die Palestijnen rechten zouden kunnen laten gelden op grond van de oude historie.
Filistijnen woonden in die hele streek langs de kust, zoals het hier in Zefanja 2 vers 5 wordt genoemd: ” Wee de inwoneren van de landstreek der zee.” Die hele kuststrook ten zuiden van Tel‑Aviv en Jaffa (Joppe vroeger), waren vroeger gewoon Filistijns. Als de staat Israël (uit politieke overwegingen) de Westbank niet terug wil geven, dan zullen de Palestijnen een stuk van het Palestijnse of Filistijnse land van heel vroeger claimen, namelijk het land wat vroeger echt Palestina heette, ook in de oude profetieën van drieduizend jaar geleden, waaronder die van Jesaja en natuurlijk ook deze van Zefanja.

 

Ik verwacht dat, binnen afzienbare tijd, de tegenwoordige Joodse staat de steden Askelon, Asdod en Ekron inderdaad zal overdragen aan de Palestijnen en dat dus de Joodse bevolking uit die steden zal moeten verdwijnen, omdat het Palestijnse steden worden.
Dat moet ook nog vrij snel gebeuren, want u en ik weten dat er niet veel tijd meer is.

Het ziet er op dit moment absoluut niet naar uit. Als je op de hoogte bent van de ontwikkelingen daar, zult u zeggen: Dat lijkt me onwaarschijnlijk.
De Bijbel echter, spreekt over der Filistijnen land, dat land van de kuststreek en spreekt daarbij over vier steden.
Welnu, drie van die vier zijn tot op heden Israëlisch, meer specifiek Joodse steden.

In de praktijk blijkt dat de problemen rond de Westbank inderdaad zo ingewikkeld liggen, dat men dat helemaal zal laten voor wat het is en iets anders zal doen, een stuk land wat helemaal niet ter discussie staat, want de Palestijnen claimen dat land nu helemaal niet, die steden Askelon, Asdod en Ekron, maar dat Israël dat gebied aan de Palestijnen zal aanbieden. Zodat ineens het hele spul op een ander been gezet wordt en misschien zal men daarmee wel tevreden zijn.
Bovendien heeft die hele kuststreek niet alleen oorspronkelijk aan de Filistijnen toebehoord, maar het is ook een belangrijk gebied vanwege de havens, enz. Asdod is trouwens eigenlijk een haven‑ stad en Askelon ook, dat is niet niks.

Ik veronderstel dat de Palestijnen daarmee genoegen mee zullen nemen en dat Israël dus inderdaad deze steden zal overdragen. Inclusief het gebied waar Gath heeft gelegen, maar aangezien men toch niet zeker weet waar dat heeft gelegen, maakt dat niets uit. Dat betekent dat het kustgebied ten zuiden van Jaffa inderdaad bij de Palestijnen terecht zal komen.
Het lijkt een aannemelijke optie dat het zo zal gebeuren, ik geloof ook dat het zo zal gebeuren, maar dat komt ook, omdat de profetie geen enkele andere ruimte laat.
Als het gaat om een oordeel over de Filistijnen of Palestijnen, dan betekent dat automatisch, dat deze steden ook Palestijnse steden zullen zijn.

Aangezien ik verwacht, dat het bepaald niet te lang zal duren, moet het dus binnen afzienbare tijd geregeld worden en de kans is groot, dat het wordt geregeld samen met dat ene verbond waar we allemaal op zitten te wachten.
Het verbond tussen de ongelovige Joodse staat en ‘de vorst van dat volk dat komen zal’, ‘die zal met de vele een verbond sluiten’.
Dat staat respectievelijk in de verzen 26 en 27 van Daniel 9.

Nou, dat volk is gekomen, het bestaat, dat kan uit praktische overwegingen niet meer ontkent worden, een leider heeft het altijd, dus die is er vanzelfsprekend, of de man nou Arafat heet of zo, dat maakt niet uit, het doet verder helemaal niets ter zake, wie het ook is. Maar op dat verbond zitten wij te wachten.

Een verbond, uiteraard met betrekking tot Jeruzalem, maar daarmee ongetwijfeld een verbond met betrekking tot de Westbank, maar zeker ook met betrekking tot de Gaza‑strook.
Ik verwacht dat die Gaza‑strook ver uitgebreid zal worden naar het noorden, ongeveer tot aan Tel Aviv. Zo was het namelijk vroeger, en zo zal het kennelijk in de toekomst weer zijn.
Er zal een situatie ontstaan die zeer goed vergelijkbaar is met de situatie in de dagen van David. Dat was te verwachten. David en de discussie over het bezit van Jeruzalem, de strijd om Jebus.

Over die dagen moet het gaan en ik wijs u erop dat er meer verbanden zijn tussen David in het verleden en de Here Jezus in de toekomst, in Zijn wederkomst. Dat gaat ook over een periode van veertig jaar, een verdeling van zeven jaar en drieëndertig jaar, over een strijd tegen de Filistijnen in het bijzonder, enz. het lijkt me een duidelijke zaak.

Nu even terug naar deze profetie, er staat dus in vers 1: “Doorzoek uzelf nauw, ja doorzoek nauw, gij volk, dat met geen lust bevangen wordt!”

Vers 2 zegt niet dat die dag des Heeren komt, maar er staat ‘terwijl die dag des Heeren nog niet komt”, zou men zichzelf doorzoeken. Want in feite is dit niet primair de aankondiging van het uiteindelijke oordeel over Filistea/ Palestina/de Palestijnse staat, maar in de eerste plaats is het een oproep tot bekering.
Daar denken wij natuurlijk niet alle dagen aan, maar ik zou niet weten waarom het evangelie niet zou worden gepredikt aan de Palestijnen. Bovendien, er zijn Palestijnen, die Christen zijn.

Daarom staat er in vers 3: “Zoekt de Heere, alle zachtmoedigen des lands, die Zijn recht werken”.
U weet, zachtmoedigen is een synoniem voor gelovigen. Voor degenen die een ontvankelijk hart hebben voor het Woord van God.
“Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid”. Dan merk je al meteen, het zachte gemoed, het zachte hart, het ontvankelijke hart onder het Nieuwe Verbond. Gerechtigheid, ook die van het Nieuwe Verbond, die gerechtigheid die geopenbaard is zonder de Wet, buiten de Wet om (Romeinen 3) en dan staat er verder: ‘Misschien zult gij verborgen worden in de dag van de Toorn des Heeren”. Als u dan vraagt, waar moeten ze dan verborgen worden, dan heb ik wel een idee! Dat is niet zo moeilijk, Edom, Petra.

4 Want Gaza zal verlaten wezen, en Askelon zal ter verwoesting wezen; Ekron zal uitgeworteld worden of uitgerukt worden en van Asdod staat er men zal het in de middag verdrijven.
Waarom het er met die uitdrukking staat, weet ik niet, maar het betekent dat Asdod verwoest zal worden. Men zal eruit verdreven worden.

5 Wee den inwoneren van de landstreek der zee, den volken der Cherétim!
Dat ligt ook een beetje moeilijk, Cherétim, daar bestaat nogal wat verschil van mening over, maar voor zover ik weet, zijn Cherétim gewoon Creti, en dat zijn Pleti, of ze horen bij elkaar voor zover ze verschillend zijn.
En Pleti zijn …….. Palestijnen!
Er zijn wat wilde theorieën over, de eenvoudigste is: het is hetzelfde, Creti namelijk Pleti. Waardoor men zich meteen afvraagt: Waarom noemt men Pleti dan Creti? Nou dat is simpel, de Pleti dat zijn Palestijnen, maar ze heten Creti omdat ze van Kreta komen, oorspronkelijk.
Want het eigenaardige is, dat men van de Filistijnen/de Palestijnen van oudsher, geen afstamming kan terugvinden. Dat is namelijk geen volk, dat afstamt van ene Fili of Filist, of hoe zo’n stamvader ook mag heten.
Ze heten Filistijnen, omdat ze wonen in een land dat zo heet.
Als je dus vraagt naar de oorsprong van die oude Filistijnen, dan is de gedachte: Het zijn inwoners van Kreta, die zijn overgevaren en hebben zich aan de andere kant van het water, aan de kust, gevestigd.

Weet u waar de meeste Belgen wonen, in onze dagen? In de omgeving van Dover! De Keltische stam der Belgen, die is al eeuwen geleden vanuit België overgetrokken naar Engeland.
Ik weet niet precies welk graafschap, maar daar wonen de Belgae.
En in België wonen nu hoofdzakelijk Franken, dat zijn niet eens Kelten, maar dat doet er nu niet toe.

Mensen verhuizen en ze laten alleen de naam achter. Zoiets kan, Kretenzen die overvaren, de naam meenemen, heten Kretenzen of Creti of Cherétim, maar ze wonen in het gebied van Palestina 1 de Palestijnen en dus heten ze Creti en Pleti.
U weet wel, dat waren die lui, die ook bij David waren. Dat waren zijn lijfwachten, de beulen eigenlijk.
Als men Creti vertaald, Cherétim vertaald, betekent het “Beulen”. Niet echt een compliment.

Als men Pleti vertaald, Palestijnen, wat zou dat betekenen? Dat zijn “Zwervers”! Dat zegt genoeg, dat betekent dat ze ergens anders vandaan komen. Daar wonen de zwervers, daar wonen de Palestijnen, daar wonen de Filistijnen, die komen ergens anders vandaan en het land heet dan naar die zwervers. Ooit kwamen de Franken in Gallië, sindsdien heet Gallië Frankrijk, althans daar waar de Franken wonen.
En zo was het met deze zwervers, het land van de zwervers, Palestina, maar ze kwamen uit Kreta. Dat komt overeen met de uitdrukking die hier gebruikt wordt, waarbij het land van de Filistijnen niet Palestina genoemd wordt, maar het land der Cherétim, het land van de Creti.

Vers 5 vervolgt met: Het Woord des Heeren zal tegen ulieden zijn, gij Kanaän, der Filistijnen land! En Ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn.
Dat is wat wij ook verwachten, want het ligt voor de hand ‑ en nu vertel ik het even heel beknopt ‑ als in de toekomst die Russen vanuit de Middellandse Zee Kanaän binnenvallen, zoals beschreven in Joël 2, dan wel Ezechiël 39, dat ze dan niet alleen de landing zullen uitvoeren nauwgezet in Israël. Ze nemen de hele kust en waarschijnlijk nemen ze Egypte ook mee. Daar is onzekerheid en onenigheid genoeg om zo’n land te kunnen aanvallen, het land is in zich zelf voldoende verdeeld.

Ik verwacht dan ook dat die Russen voet aan wal zullen zetten over de hele kuststreek. Eveneens in Tyrus, Sidon en Libanon, dat is ook verdeeld genoeg, om dat te kunnen doen. Ze zijn voldoende verzwakt.
Dat betekent dat bij een en dezelfde gelegenheid die legers daar landen, maar dat betekent ook dat, als vanwege het aanroepen van de Naam des Heren in Jeruzalem, die Russische legers omkomen, omdat de Heer ze gewoon doodt, betekent dat vanzelfsprekend, dat dat dus ook gebeurt in Filistea en in Libanon, e.d.
Misschien ook wel in Egypte, maar daar ben ik niet helemaal zeker van.

Aangezien dat oordeel niet alleen komt over die Russen in het land, maar over allen die in het land zijn (ze moeten er niet voor niets uit vluchten, naar Petra bijvoorbeeld) dan betekent ook, dat als het oordeel komt over de Joodse staat, tegelijkertijd het oordeel op precies dezelfde wijze en bij dezelfde gelegenheid komt over de Palestijnse staat.

En dus staat er: Er zal geen inwoner meer zal zijn. Dat staat er trouwens ook over Edom: Er zal geen inwoner meer zijn.
Dat staat er ook over het oordeel over Juda in Jesaja: Er zal geen inwoner meer zijn, dat wil zeggen het hele land is zonder leven. Dat staat er met grote nadruk, dat geldt zelfs voor dierlijk leven. Het is weg, er is helemaal niets meer.

Daarna lezen we in vers 7: “En de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van Juda, dat zij daarin weiden;
Dat betekent niet dat het overblijfsel van het huis van Juda er schapen op na zal gaan houden. Het betekent dat het overblijfsel van het huis van Juda een kudde is, het wordt beschouwd als een kudde.
Waarna wij ons afvragen: “Waar is dan de schaapskooi van deze kudde die daar zal weiden? Dat is dus al gezegd, want het woord schaapskooi vertaald in het Hebreeuws is Bosra en zo zijn we weer rond en zijn we weer bij Petra.

Het overblijfsel, dat verzameld wordt in Petra, zal vanuit Petra het land weer in bezit nemen naar de kust toe, dat betekent dat men inderdaad terecht komt in de Gaza‑strook, in Palestina en zo staat het hier ook.

Dit was Zefanja 2, maar we hebben nog enige uitspraken van deze aard.
Dat is in de eerste plaats Jesaja hoofdstuk 14, daar vinden we ook profetieën tegen verschillende volken, in het bijzonder tegen de Filistijnen en wel vanaf vers 28.
Bovendien vinden we boven hoofdstuk 15, dat is dus 5 verzen verder, de voorzegging van de ondergang van Moab. Zo ging het in Zefanja ook verder, met de profetie over Moab, maar daar hebben we het nu niet over.

We lezen in Jesaja 14, vanaf vers 28: In het jaar, dat de koning Achaz stierf, geschiedde deze last.
Achaz was de koning van Juda en uit het huis van David. Achaz ‘de zoon van David’ was gestorven.

Dan volgt vers 29 met: Verheug u niet, gij gans Palestina!
En Palestina is niet Kanaän, maar Palestina is de Gaza‑strook. Het land der Filistijnen.

Vers 29 vervolgt met: Dat de roede die u sloeg, (deze ‘zoon van David) gebroken is, want uit de wortel der slang zal een basilisk (een andere slang) voortkomen, en haar vrucht zal een vurige vliegende draak zijn.
Een vurige slang namelijk zal voortkomen in de toekomst, staat hier.
U en ik weten dat de vurige slang de verhoogde slang is, namelijk Christus. De uiteindelijke en ultieme Zoon van David. Het gaat hier dus om een profetie over de komst van Christus.

Dan volgt vers 30 met: En de eerstgeborenen der armen zullen weiden,
Wie zijn dat, de eerstgeborenen der armen? En de nooddruftigen zullen zeker (veilig) nederliggen; U weet toch wie dat zijn, dat is het gelovig overblijfsel van Juda.
Diezelfde kudde, die zou weiden, volgens Zefanja. Die kudde, die verzameld wordt in Bosra, volgens Micha.

Vers 30 vervolgt met: Uw wortel daarentegen zal Ik door den honger doden, want met het overblijfsel van Juda zal het goed gaan, dat zal gezegend worden, maar u, Palestijnen, Filistijnen, uw wortel daarentegen zal Ik door den honger doden en uw overblijfsel zal hij~ ombrengen.

Vers 31 Huilt, gij poort! Schreeuw, gij stad! Gij zijt gesmolten, gij gans Palestina! En als het over een stad gaat, een stad maar en het gaat over Palestina, dan is het dus Gaza. In onze dagen de zetel van de Palestijn en. De hoofdstad als het ware. Want van het noorden komt een rook, en er is geen eenzame in zijn samenkomsten. Dat betekent er blijft er niet een over.

Er komt namelijk een oordeel vanuit het noorden. Dan vraag je je af, wat komt er uit het noorden?
In Joël 2 zowel als in Ezechiël 39 wordt gesproken over de Russen, die Jeruzalem zouden veroveren en daarvan staat uitdrukkelijk dat zij komen uit het noorden.
Hier staat: er komt een rook uit het noorden. Ik denk dat het diezelfde Russen zijn.

Het punt is, dat uiteindelijk de Heer Zelf ingrijpt en dat heeft tot gevolg dat alle inwoners in het land omkomen. Of dat nu Joden, Palestijnen of Russen zijn, dat maakt niets uit. Er komt een oordeel over het land en dat staat er ook.
Hadden ze er maar niet moeten wezen, hadden ze maar op tijd het land uit moeten vluchten. Niet alleen uit Judea, maar ook uit Palestina.
Dit wat betreft Jesaja, hoofdstuk 14.

Nog een uitspraak over dit onderwerp vinden we in Amos, hoofdstuk 1.
(Er staat boven hoofdstuk 2, Profetie tegen Moab, Juda en Israël. Want het gebeurt allemaal op dezelfde tijd, Moab wordt dus ‑ ook hier ‑ in een adem genoemd, maar nogmaals, die laat ik buiten beschouwing.)

We komen dus bij Amos in hoofdstuk 1, vanaf vers 6, want de voorgaande verzen gaan over Syrië en Damascus, het ligt allemaal in de buurt en het gaat allemaal over diezelfde gelegenheid.

We lezen dus vanaf vers 6: Alzo zegt de Here: Om drie overtredingen van Gaza, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij gevankelijk hebben weggevoerd met een volkomen wegvoering, om aan Edom, over te leveren.
Er is namelijk een aanleiding voor deze profetie. De Filistijnen, of althans de inwoners van Gaza, hebben ooit een keer verraad gepleegd ten opzichte van Juda in de strijd tegen Edom, maar dat ga ik nu niet uitleggen.
Dat is de achtergrond en de aanleiding van deze profetie, die zelf gaat over de verre toekomst.

7 Daarom zal Ik een vuur zenden in den muur van Gaza, (en dus in de verdediging van Gaza, de stad zal verwoest worden) dat zal haar paleizen verteren. Er zouden dus in onze dagen paleizen moeten staan in Gaza.
Het zou dus een hoofdstad moeten zijn van een staat en dat is het ook. Paleizen zijn dan misschien wat overdreven, maar het beantwoordt aan de situatie in onze dagen.

8 En Ik zal den inwoner uitroeien uit Asdod, en dien, die de scepter houdt, (de koning) uit Askelon; en Ik zal Mijn hand wenden tegen Ekron. (Dat zijn op dit moment Joodse steden.) En het overblijfsel der Filistijnen zal vergaan, zegt de Here HEERE.
Dus in de dagen rond de 70ste week van Daniel en bij de wederkomst van Christus, moeten niet alleen Gaza, maar ook Asdod, Askelon en Ekron Palestijnse steden zijn. Dat is de enige conclusie die je kunt trekken. Waarna we ons afvragen: waarom wordt Gath niet genoemd? Dat is eenvoudig, die stad bestaat niet meer, die is in het verleden verwoest en zal er in de toekomst niet zijn, omdat het niet wordt genoemd.

Vanaf vers 9 gaat het verder over Tyrus en dus over Syrië, in vers 12 gaat het over Edom (overigens hetzelfde gebied) en in vers 14 gaat het over Rabba, dat is Amman, Jordanië (heeft in de Romeinse tijd ook nog Philadelphia geheten). Het is allemaal in dezelfde omgeving en ik denk dat het allemaal in een keer mee gaat.

Daarna vanaf hoofdstuk 2 gaat het over Moab, dat ligt wat zuidelijker dan Amman, maar het is ook Jordanië.
Daar hebben we het nu niet over, maar ik laat u alleen even zien, dat het wel steeds meespeelt.

Tot slot komen we nog even terecht bij Zacharia 9 en wat daarboven staat, was te verwachten:
Kastijding van verschillende volken.

1 De last van het woord des HEEREN over het land Chadrach en Damascus, deszelfs rust, want de HEERE heeft een oog over den mens, gelijk over al de stammen Israëls
Hier gaat het 
ook over Syrië, in vers 1, Chadrach en Damascus is immers Syrië.
2 En ook zal Hij Hamath met dezelve bepalen; Tyrus en Sidon, hoewel zij zeer wijs is;
Hamath 
is ook Syrië en Tyrus en Sidon dat is tegenwoordig Libanon, maar vroeger was dat ook Syrië.
Over Tyrus staat dan nog in vers 4:

4 Ziet de HEERE zal haar uit het bezit stoten,.
Tyrus ligt ook aan de kust, is ook een havenstad. Je mag aannemen dat die Russen ook daar terecht komen.
en Hij zal haar vesting in de zee verslaan;
Dat is inderdaad Tyrus, het ligt in de zee, een schiereiland, vroeger zelfs een echt eiland.
en zij zal met vuur verteerd worden.

5 Askelon (veel zuidelijker langs de kust) zal het zien, en zal vrezen; desgelijks Gaza, (nog zuidelijker aan de kust) en zal grote smart hebben, mitsgaders Ekron, dewijl hetgeen, waar zij op zagen, hen heeft te schande gemaakt; en de koning uit Gaza (Let op dat een koning alleen genoemd wordt in verband met Gaza! Dat klopt want dat is officieel de hoofdstad van de Palestijnen. Nee, officieel is het Jericho, maar dat is maar een papieren kwestie.) zal vergaan, en Askelon zal niet bewoond worden.

6 En de bastaard zal te Asdod wonen, en Ik zal den hoogmoed der Filistijnen uitroeien.
In ieder geval worden ook hier weer de vier plaatsen genoemd, de vijfde is er nu ook weer niet bij, in ieder geval zal er een oordeel komen over al die steden en inderdaad over heel Palestina, daar komt het op neer.

Daarna lezen wij, in het bijzonder, in vers 9:

9 Verheug u zeer, gij dochter Sions! Juich gij dochter Jeruzalems! Ziet Uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en (samen met de gemeente) rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.
Ik hoop dat u begrijpt dat deze profetie niet zijn uiteindelijke vervulling heeft gevonden in de eerste komst van Christus bij de intocht in Jeruzalem, maar dat het in werkelijkheid een profetie is over de wederkomst van Christus straks op de Olijfberg met de ezel, namelijk de gemeente.
De ezel, die gekleed was in de kleding van de discipelen, vermomd als de discipelen, de gemeente namelijk. Want in de toekomst zal dit pas gerealiseerd worden, dan past dit ook bij elkaar.

In vers 13 lezen wij dan ook:
13 Als Ik Mij Juda zal gespannen, (Juda een boog, Gods kracht, Gods wapen) en Ik Efraïm den boog zal gevuld hebben; (Daar heb je ineens Juda en Efraïm bij elkaar. De twee en de tien stammen, Israël, geheel Israël zal verzameld worden) en Ik uw kinderen, o Sion! Zal verwekt hebben tegen uw kinderen, o Griekenland!

Het punt is, dat in die dagen, in het oosten inderdaad een wereldrijk ontstaan is, namelijk dat van Babel, in Irak dus, met Babel als hoofdstad, maar volgens de Bijbelse profetie wordt het beschouwd als het herstel van het Griekse Rijk van Alexander de Grote, die ook Babel als hoofdstad verkoos.
En als hier staat dat in de toekomst ook Griekenland geoordeeld zal worden, moet u niet denken aan wat wij tegenwoordig Griekenland noemen, maar moet u denken aan dat rijk, dat Babel als hoofdstad heeft.

Maar het begin van dit alles vindt plaats in het gebied waar van oudsher Israël woonde en zou wonen, al heet het tegenwoordig Libanon, Palestina, Jordanië en wat het maar wezen mag, want dat is het gebied wat in de eerste plaats door de Heer in bezit zal genomen worden, alle leven zal eruit verdreven worden en het zal vervolgens bevolkt worden door het overblijfsel van Israël.
Zij zullen dan eerst het land moeten opruimen, dan is er sprake van echt en Bijbels verantwoord Zionisme.

De wereld is een schouwtoneel, en men zal het te zien krijgen.
Wij waarschijnlijk van bovenaf. Voor het grootste gedeelte zullen we er ook in betrokken zijn, maar het is toch aardig om ‑ aan het eind van dit verhaal ‑een verband te kunnen leggen tussen deze profetieën en de tegenwoordige ontwikkelingen in het Midden‑Oosten, want het lijdt geen enkele twijfel dat daar de stukken op het bord staan.

Genesis 8

Het einde van de zondvloed

Gen 8:1 En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.
Gen 8:2 Ook werden de fonteinen des afgronds, en de sluizen des hemels gesloten, en de plasregen van den hemel werd opgehouden.
Gen 8:3 Daartoe keerden de wateren weder van boven de aarde, heen en weder vloeiende, en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen.
Gen 8:4 En de ark rustte in de zevende maand, op den zeventienden dag der maand, op de bergen van Ararat.
Gen 8:5 En de wateren waren gaande, en afnemende tot de tiende maand; in de tiende maand, op den eersten der maand, werden de toppen der bergen gezien.
Gen 8:6 En het geschiedde, ten einde van veertig dagen, dat Noach het venster der ark, die hij gemaakt had, opendeed.
Gen 8:7 En hij liet een raaf uit, die dikwijls heen en weder ging, totdat de wateren van boven de aarde verdroogd waren.
Gen 8:8 Daarna liet hij een duif van zich uit, om te zien, of de wateren gelicht waren van boven den aardbodem.
Gen 8:9 Maar de duif vond geen rust voor het hol van haar voet; zo keerde zij weder tot hem in de ark; want de wateren waren op de ganse aarde; en hij stak zijn hand uit, en nam haar, en bracht haar tot zich in de ark.
Gen 8:10 En hij verbeidde nog zeven andere dagen; toen liet hij de duif wederom uit de ark.
Gen 8:11 En de duif kwam tot hem tegen den avondtijd; en ziet, een afgebroken olijfblad was in haar bek; zo merkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelicht waren.
Gen 8:12 Toen vertoefde hij nog zeven andere dagen; en hij liet de duif uit; maar zij keerde niet meer weder tot hem.
Gen 8:13 En het geschiedde in het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand, op den eersten derzelver maand, dat de wateren droogden van boven de aarde; toen deed Noach het deksel der ark af, en zag toe, en ziet, de aardbodem was gedroogd.
Gen 8:14 En in de tweede maand, op den zeven en twintigsten dag der maand, was de aarde opgedroogd.

Noach verlaat de ark

Gen 8:15 Toen sprak God tot Noach, zeggende:
Gen 8:16 Ga uit de ark, gij, en uw huisvrouw, en uw zonen, en de vrouwen uwer zonen met u.
Gen 8:17 Al het gedierte, dat met u is, van alle vlees, aan gevogelte, en aan vee, en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan; en adat zij overvloediglijk voorttelen op de aarde, en vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen op de aarde.

a) Gen 1:22 En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeen; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde!
Gen 1:28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!
Gen 9:1 En God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde!

Gen 8:18 Toen ging Noach uit, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem.
Gen 8:19 Al het gedierte, al het kruipende, en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, naar hun geslachten, gingen uit de ark.
Gen 8:20 En Noach bouwde den HEERE een altaar; en hij nam van al het breine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar.

b) Lev 11:1 En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende tot hen:
Lev 11:2 Spreekt tot de kinderen Israels, zeggende: Dit is het gedierte, dat gij eten zult uit alle beesten, die op de aarde zijn.
Lev 11:3 Al wat onder de beesten den klauw verdeelt, en de kloof der klauwen in tweeen klieft, en herkauwt, dat zult gij eten.
Lev 11:4 Deze nochtans zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of de klauwen alleen verdelen: den kemel, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn;
Lev 11:5 En het konijntje, want het herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; dat zal u onrein zijn;
Lev 11:6 En den haas, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn.
Lev 11:7 Ook het zwijn, want dat verdeelt wel den klauw, en klieft de klove der klauwen in tweeen, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn.
Lev 11:8 Van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas niet aanroeren, zij zullen u onrein zijn.
Lev 11:9 Dit zult gij eten van al wat in de wateren is: al wat in de wateren, in de zeeen en in de rivieren, vinnen en schubben heeft, dat zult gij eten;
Lev 11:10 Maar al wat in de zeeen en in de rivieren, van alle gewemel der wateren, en van alle levende ziel, die in de wateren is, geen vinnen of schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.
Lev 11:11 Ja, een verfoeisel zullen zij u zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij verfoeien.
Lev 11:12 Al wat in de wateren geen vinnen en schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.
Lev 11:13 En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend,
Lev 11:14 En de gier, en de kraai, naar haar aard;
Lev 11:15 Alle rave naar haar aard;
Lev 11:16 En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
Lev 11:17 En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,
Lev 11:18 En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,
Lev 11:19 En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.
Lev 11:20 Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.
Lev 11:21 Dit nochtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, hetwelk boven aan zijn voeten schenkelen heeft, om daarmede op de aarde te springen;
Lev 11:22 Van die zult gij deze eten: den sprinkhaan naar zijn aard, en den solham naar zijn aard, en den hargol naar zijn aard, en den hagab naar zijn aard.
Lev 11:23 En alle kruipend gevogelte, dat vier voeten heeft, zal u een verfoeisel zijn.
Lev 11:24 En aan deze zult gij verontreinigd worden; zo wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.
Lev 11:25 Zo wie van hun dood aas gedragen zal hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond.
Lev 11:26 Alle beest, dat den klauw verdeelt, doch de klove niet in tweeen klieft, en niet herkauwt, zal u onrein zijn; zo wie hetzelve aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn.
Lev 11:27 En al wat op zijn poten gaat onder alle gedierte, op vier voeten gaande, die zullen u onrein zijn; al wie hun dood aas aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.
Lev 11:28 Ook die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond; zij zullen u onrein zijn.
Lev 11:29 Verder zal u dit onder het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, onrein zijn: het wezeltje, en de muis, en de schildpad, naar haar aard;
Lev 11:30 En de zwijnegel, en de krokodil, en de hagedis, en de slak, en de mol;
Lev 11:31 Die zullen u onrein zijn onder alle kruipend gedierte; zo wie die zal aangeroerd hebben, als zij dood zijn, zal onrein zijn tot aan den avond.
Lev 11:32 Daartoe al hetgeen, waarop iets van dezelve vallen zal, als zij dood zijn, zal onrein zijn, hetzij van alle houten vat, of kleed, of vel, of zak, of alle vat, waarmede enig werk gedaan wordt; het zal in het water gestoken worden, en onrein zijn tot aan den avond; daarna zal het rein zijn.
Lev 11:33 En alle aarden vat, waarin iets van dezelve zal gevallen zijn, al wat daarin is, zal onrein zijn, en gij zult dat breken.
Lev 11:34 Van alle spijze, die men eet, waarop het water zal gekomen zijn, die zal onrein zijn; en alle drank, die men drinkt, zal in alle vat onrein zijn.
Lev 11:35 En waarop iets van hun dood aas zal vallen, zal onrein zijn; de oven en de aarden pan zal verbroken worden; zij zijn onrein, daarom zullen zij u onrein zijn.
Lev 11:36 Doch een fontein, of put van vergadering der wateren, zal rein zijn; maar wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn.
Lev 11:37 En wanneer van hun dood aas zal gevallen zijn op enig zaaibaar zaad, dat gezaaid wordt, dat zal rein zijn.
Lev 11:38 Maar als water op het zaad gedaan zal worden, en van hun dood aas daarop zal gevallen zijn, dat zal u onrein zijn.
Lev 11:39 En wanneer van de dieren, die u tot spijze zijn, iets zal gestorven zijn, wie deszelfs dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.
Lev 11:40 Ook die van hun dood aas gegeten zal hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond; en die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond.
Lev 11:41 Voorts alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, zal een verfoeisel zijn; het zal niet gegeten worden.
Lev 11:42 Al wat op zijn buik gaat, en al wat gaat op zijn vier voeten, of al wat vele voeten heeft, onder alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, die zult gij niet eten, want zij zijn een verfoeisel.
Lev 11:43 Maakt uw zielen niet verfoeilijk aan enig kruipend gedierte, dat kruipt; en verontreinigt u niet daaraan, dat gij daaraan verontreinigd zoudt worden.
Lev 11:44 Want Ik ben de HEERE, uw God; daarom zult gij u heiligen, en heilig zijn, dewijl Ik heilig ben; en gij zult uw ziel niet verontreinigen aan enig kruipend gedierte, dat zich op de aarde roert.
Lev 11:45 Want Ik ben de HEERE, die u uit Egypteland doe optrekken, opdat Ik u tot een God zij, en opdat gij heilig zijt, dewijl Ik heilig ben.
Lev 11:46 Dit is de wet van de beesten, en van het gevogelte, en van alle levende ziel, die zich roert in de wateren, en van alle ziel, die kruipt op de aarde;
Lev 11:47 Om te onderscheiden tussen het onreine en tussen het reine, en tussen het gedierte, dat men eten, en tussen het gedierte, dat men niet eten zal.

Gen 8:21 En de HEERE rook dien liefelijken reuk, en de HEERE zeide in Zijn hart: Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des mensen wil; cwant het gedichtsel van ‘s mensen hart is boos van zijn jeugd daan;en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.

c) Gen 6:5 En de HEERE zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was.
Spr 22:15 De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.
Mat 15:19 Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.

d) Spr 22:15 De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.

Gen 8:22 eVoortaan al de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden.

e) Jer 33:20 Alzo zegt de HEERE: Indien gijlieden Mijn verbond van den dag; en Mijn verbond van den nacht kondt vernietigen, zodat dag en nacht niet zijn op hun tijd;
Jer 33:25 Zo zegt de HEERE: Indien Mijn verbond niet is van dag en nacht; indien Ik de ordeningen des hemels en der aarde niet gesteld heb;

Het Keltische Kruis

Dit kruis zou de betekenis hebben van een symbool dat staat voor de brug naar de andere wereld. Op zich klopt dat aardig maar feitelijk staat het kruis voor het vloekhout waaraan de Heere Jezus hing, en de ring er omheen symboliseert het oneindige, omdat wie gelooft de tweede dood niet zou sterven.

Jozef van Arimathea stichtte de eerste Christelijke kerk in Brittannië. Jozef was de oom van de Heere Jezus, die in Zijn jongelingsjaren met zijn oom meevoer naar het Westen. In de Bijbel staat niets of nauwelijks vermeld van zijn jeugd, maar her en der in Europa vind je beelden van de Heere Jezus samen met Zijn oom Jozef. Jozef van Arimathea was de eerste apostel aan Brittannië. Hij plantte het vaandel van Christus 562 jaar voor Augustinus voet zette op het door zeeën omringde eiland. Met twaalf andere discipelen van de Heere Jezus stichtte hij, in wat nu Engeland heet, de eerste openlijk Christelijke kerk. Brittannië werd de voedingsbodem, waar een niet aflatende stroom van jonge bekeerlingen werd opgeleid door de apostelen en discipelen van Christus, die daarna werden uitgezonden naar andere landen om het evangelie te onderwijzen.

Rechtse groeperingen gebruiken hetzelfde teken, omwille dat Brittannië onoverwinnelijk was, maar kennen niet de werkelijke betekenis van het Keltisch Kruis.

Het edict van Keizer Claudius in 42 A.D.: “Veeg het Christelijk Brittannië van de kaart!”
Het verleden lijkt zo ver verwijderd, dat het onbetekenend en onbegrijpelijk schijnt te zijn voor de Christenen van vandaag, die zich koesteren in veiligheid en luxe, dat 1915 jaar geleden voor de eerste keer een machtige wereldveroverende natie een wet uitvaardigde om het Christendom met wortel en tak uit te roeien, en dat door middel van gewapend geweld.. Deze natie hoopte dat te bereiken door de Britse eilanden te verwoesten. Dit was tien jaar nadat de gebeurtenissen rondom het kruis hadden plaatsgevonden en minder dan zes jaar nadat Jozef, de Nobilis Decurio, in geheel Brittannië “de Weg van Christus” had verkondigd vanuit zijn toevluchtsoord op het eiland Avalon.

Deze heilige kruistocht had zich zo snel vanuit Avalon tot zelfs naar de overzijde van de zee verspreid en had heel Rome zo zeer in onrust gestort, dat Rome niet langer aan deze uitdaging aan haar heidense filosofieën en de zogenaamde veiligheid van het keizerrijk kon voorbijgaan. In het jaar 42 A.D. vaardigde Claudius, keizer van Rome, een belangrijke wet uit, waarin hij opdracht gaf om geheel Christelijk Brittannië te vernietigen. Mannen, vrouwen en kinderen, al haar belangrijke instellingen en haar bibliotheken moesten gedood, vernietigd of verbrand worden.Voor dit doel rustte Claudius het grootste en meest efficiënte leger uit dat werd aangevoerd door Rome’s meest capabele generaals.

In deze wet die Claudius voor de Romeinse Senaat afkondigde, stond tevens dat het aanvaarden van het geloof der druïden of van het Christelijk geloof, een halsmisdaad was en dat dit bestraft zou worden met de dood door het zwaard, de martelkamer, of dat men voor de leeuwen in het Collosseum gegooid zou worden. Het Boek der Martelaren vertelt dat er gedurende de eerste tweehonderd jaar van het Christendom meer dan zes miljoen Christenen begraven werden in de catacomben van Rome: Allen slachtoffers van moord. Hoeveel meer er nog begraven zijn in andere, niet onderzochte catacomben, is moeilijk te zeggen. Het totale aantal zou schrikbarend zijn.

De opperbevelhebber die door keizer Claudius gekozen werd om zijn edict ten uitvoer te brengen was niemand minder dan de beroemde Aulus Plautius, die de Scipio van zijn dagen genoemd werd. Hij staat in de Romeinse geschiedenis te boek als één van de talentvolste bevelhebbers en veroveraars. Hij kwam in 43 A.D. aan in het gebied van Brittannië en richtte zijn hoofdkwartier in in Chichester. Plautius liet er geen gras over groeien en zette zijn ervaren legioenen onmiddellijk in actie in een opmars gericht tegen het zuiden, tegen de Siluriërs. Op die manier sneed hij hen af van de machtige Brigantijnen in het ver afgelegen noorden die tot de Kelten van Yorkshire behoorden. De vijandelijke legers ontmoeten elkaar in een schrikbarend gewelddadige slag en dit eerste gevecht werd door de Romeinen verloren, waarschijnlijk omdat zij de kwaliteiten van hun tegenstanders hadden onderschat. In de verschillende veldslagen die daarna volgden, bemerkte de Romeinse generaal tot zijn grote verrassing dat hij geconfronteerd werd met een intelligente militaire macht, die gewaagd was aan zijn eigen leger van ervaren strijders. En hoewel zij ver in de minderheid waren, vochten zij onverschrokken en een onbevreesde woestheid, die de Romeinse soldaten nog niet eerder waren tegengekomen. Voor het eerst stonden de Romeinen tegenover een volk, dat niet geterroriseerd kon worden door grote aantallen wreedheden.

In die dagen had Rome de hele wereld al aan zich onderworpen, behalve Brittannië. Zij hadden machtige legers verslagen, die werden aangevoerd door briljante koningen en generaals en die zeer gehard waren in de strijd. De door hen onderworpen volkeren in Afrika, Azië en Europa, die zij tot slaven hadden gemaakt, verhalen van hun heerszucht en wreedheid. Dezelfde Romeinse generaals, die deze veroveringen gemaakt hadden, voerden het Romeinse leger in Brittannië aan en faalden, de één na de ander. Met zo’n enorm uitgestrekt rijk om te beschermen en in stand te houden, konden de Romeinse keizers het zich niet veroorloven om hun beste legeraanvoerders en hun beste legioenen negen jaar in Brittannië te houden. Nog minder konden zij zich de afslachting van hun getrainde soldaten in een zinloze strijd veroorloven. Het enorme verlies aan levens, geleden aan beide kanten, in vele van de veldslagen in Brittannië, was volgens de verslagen groter dan bij de meeste veldslagen in wereldoorlog I en wereldoorlog II. Zulke verliezen wijzen niet op een gemakzuchtige, vrijblijvende Romeinse veldtocht in Brittannië.

Deze geschiedenissen, opgetekend door de pen van de tegenstander, ondersteunen de waarheid beter dan wanneer wij dit zelf opgeschreven hadden.Zonder wrok, maar met grote bewondering verhalen zij hoe de Silurische krijgers, aangevoerd door Caractacus, Arviragus en de druïdische hogepriesters, in niet te stoppen aanvalsgolven, zelfs over hun gesneuvelde en stervende kameraden heen, op hen afstormden en vochten met een woestheid die zelfs de geharde en door oorlog getekende soldaten van de Romeinse legioenen met afgrijzen vervulde. Hun angstaanjagende strijdkreten schalden boven het wapengekletter uit. Voor het eerst kwamen de Romeinen vrouwelijke krijgers tegen, die zij aan zij vochten met de mannen in een voor hen gerechtvaardigde strijd. Tacitus schrijft dat hun lange wapperende blonde haar en hun vuurschietende blauwe ogen angstaanjagend waren om naar te kijken.Ook hoorden de Romeinse soldaten voor het eerst het motto van de oude druïdische priesters gebruiken als strijdkreet voor het Christendom: “Y gwir byn erbyn y Byd”, hetgeen “De waarheid tegenover de wereld” betekent. Nooit is er een gerechtvaardigder strijdkreet gebezigd, die zelf zoveel aan waarheid bevat. Deze strijdkreet bestaat nog steeds. Zij is door de eeuwen bewaard gebleven en is heden het motto van de Orde der Druïden in Wales.

“Y gwir byn erbyn y Byd”
“De waarheid tegenover de wereld”

Jeruzalem

En hebben Zijn voeten in aloude tijden
gewandeld op Engelands groene bergen?
En werd het Heilig Lam van God
gezien op de lieflijke weiden van Engeland?

En heeft het Goddelijk Verbond
Zijn licht laten schijnen op onze bewolkte heuvelen?
En werd Jeruzalem hier gevestigd
tijdens die donkere satanische strijd?

Breng me mijn boog van glanzend goud!
Breng me mijn pijlen van verlangen!
Breng me mijn speer! O wolken, breek open
en breng mij mijn vurige wagen!

Ik geef de geestelijke strijd nooit op
noch zal mijn zwaardhand slapen.
Totdat we Jeruzalem hebben gebouwd
in het groene en lieflijke land Engeland.

De Britse koningin Boadicea kwam strijdlustig in opstand, woedend over de persoonlijke vernedering van haar twee dochters, zij werden in het openbaar verkracht terwijl zij zelf werd gegeseld, en zocht naar wraak.Haar krijgers verzamelden zich, belust op strijd. Zij zou haar krijgers voorgaan in een strijd zo hevig en verwoestend dat haar naam in de Britse geschiedenis de verpersoonlijking en de toorts werd van alles wat nobel was in Brittannië. Tot op deze dag wordt Brittannië op haar geldstukken als vrouw afgebeeld.

Boadicea, de Britse naam voor Victoria, was een nicht van Claudius Pudens en dus nauw verbonden aan Caractacus en Arviragus. Boadicea zond Venusius, de Pendragon van de Iceni naar Arviragus en bood hem het bevel aan over de samengevoegde strijdkrachten van Iceni en Coronaid. Of hij dit aanvaard heeft is onduidelijk, waarschijnlijk omdat de beschrijving van deze geschiedenis overheerst wordt door de lofzang op de gestalte en de moed van deze koningin.

“Boadicea besteeg de generaalszetel. Haar gestalte was langer dan van de gemiddelde vrouw, haar verschijning had in zichzelf iets angstaanjagends, haar houding was kalm en beheerst, maar haar stem was donker en genadeloos. Haar haar hing in gouden lokken tot op de heupen en werd op haar voorhoofd bijeen gehouden door een gouden diadeem. Zij droeg een Schots geruite japon, die haar borstkas nauw omsloot maar vanaf de taille uitliep in losse plooien. Daaroverheen een Chlamys, een militaire mantel. In haar hand droeg zij een lans.”

Zo wordt de majesteitelijke Boadicea omschreven, zoals zij stond temidden van 120.000 krijgers die gehoor hadden gegeven aan haar vurige oproep tot wraak. De rede die zij tot hen sprak was net zo uitdagend en onvergetelijk als die van haar beroemde familielid Caractacus tot de Romeinse senaat. Dion Cassius schrijft hierover het volgende:

“Ik, een vrouw, doe een beroep op u. Ik heers niet, zoals Nitocris, over lastdieren gelijk de verwijfde volkeren in het Oosten zijn, of Semiramis, over handelslieden en reizigers, noch zoals het manwijf Nero, over slaven en ontmanden – zoals ons door deze buitenlanders is wijsgemaakt – maar ik heers over Britten, weinig bedreven in bedrog en diplomatie, maar geboren en getraind in oorlogsvoering. Mannen die omwille de vrijheid, hun eigen levens, de levens van hun vrouwen en kinderen, hun landerijen en hun eigendommen in de waagschaal leggen. Als koningin van zo’n volk smeek ik om uw hulp bij het behouden van die vrijheid en het overwinnen van vijanden, berucht om de lichtzinnigheid waarmee zij hun wandaden plegen, om hun verkrachting van het recht, om hun minachting van godsdiensten, om hun onstilbare hebzucht; een volk dat zwelgt van plezier in onmenselijkheden, voor wier affectie men groter angst en afschuw moet hebben dan voor haar vijandschap. Nooit zal een vreemdeling heerschappij hebben over mij of over mijn landgenoten, nooit zal dit land beheerst worden door slavernij. O, godin der manhaftigheid en der overwinning, wees gij voor eeuwig heerseres en koningin in Brittannië.”

In het spoor van de discipelen

Jozef van Arimathea stichtte eerste Christelijke kerk in Britannië

Dit boek pakt de geschiedenis op kort na de verrijzenis van de Here Jezus Christus. Jozef van Arimathea speelde in die geschiedenis een belangrijke rol. Zeer oude geschriften vertellen dat deze man door zijn genadeloze vijanden op zee werd gezet. Samen met een paar trouwe metgezellen, in een open boot zonder roeiriemen of zeil, dreven zij ver van hun Judeese thuisland af. Zij keerden ook nooit meer terug, maar stonden daarentegen aan de basis van de verbreiding van het Christelijk geloof.

Jozef van Arimathea was de eerste apostel aan Brittannië. Hij plantte het vaandel van Christus 562 jaar voor Augustinus voet zette op het door zeeën omringde eiland. Met twaalf andere discipelen van de Here Jezus stichtte hij, in wat nu Engeland heet, de eerste openlijke Christelijke kerk. Brittannië werd de voedingsbodem, waar een niet aflatende stroom van jonge bekeerlingen werd opgeleid door de apostelen en discipelen van Christus, die daarna werden uitgezonden naar andere landen om het evangelie te onderwijzen.

Dit boek verhaalt ook zeer boeiend over de het ontstaan van de eerste Christelijke gemeente in Rome, de aanvaarding van het Evangelie door de Kelten, hun oorlogen tegen de Romeinse keizers en de gruwelijke Christenvervolgingen, die uiteindelijk tot staan werden gebracht door de Brit Constantijn, de erfgenaam en wettelijke vertegenwoordiger van de Christelijke dynastie in Brittanië en latere keizer van het Romeinse Rijk. Het is goed dat het ware verhaal over het ontstaan en de verbreiding van het Christelijk geloof zo gedetailleerd aan ons overgeleverd wordt.

Genesis 7

De zondvloed

Gen 7:1 Daarna zeide de HEERE tot aNoach: Ga gij, en uw ganse huis in de ark; want bu heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.

a) 2Pe 2:5 En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, den prediker der gerechtigheid, zijn achttal bewaard heeft, als Hij den zondvloed over de wereld der goddelozen heeft gebracht;

b) Gen 6:9 Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God.

Gen 7:2 cVan alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje.

c) Lev 11:1 En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende tot hen:
Lev 11:2 Spreekt tot de kinderen Israels, zeggende: Dit is het gedierte, dat gij eten zult uit alle beesten, die op de aarde zijn.
Lev 11:3 Al wat onder de beesten den klauw verdeelt, en de kloof der klauwen in tweeen klieft, en herkauwt, dat zult gij eten.
Lev 11:4 Deze nochtans zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of de klauwen alleen verdelen: den kemel, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn;
Lev 11:5 En het konijntje, want het herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; dat zal u onrein zijn;
Lev 11:6 En den haas, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn.
Lev 11:7 Ook het zwijn, want dat verdeelt wel den klauw, en klieft de klove der klauwen in tweeen, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn.
Lev 11:8 Van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas niet aanroeren, zij zullen u onrein zijn.
Lev 11:9 Dit zult gij eten van al wat in de wateren is: al wat in de wateren, in de zeeen en in de rivieren, vinnen en schubben heeft, dat zult gij eten;
Lev 11:10 Maar al wat in de zeeen en in de rivieren, van alle gewemel der wateren, en van alle levende ziel, die in de wateren is, geen vinnen of schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.
Lev 11:11 Ja, een verfoeisel zullen zij u zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij verfoeien.
Lev 11:12 Al wat in de wateren geen vinnen en schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.
Lev 11:13 En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend,
Lev 11:14 En de gier, en de kraai, naar haar aard;
Lev 11:15 Alle rave naar haar aard;
Lev 11:16 En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
Lev 11:17 En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,
Lev 11:18 En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,
Lev 11:19 En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.
Lev 11:20 Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.
Lev 11:21 Dit nochtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, hetwelk boven aan zijn voeten schenkelen heeft, om daarmede op de aarde te springen;
Lev 11:22 Van die zult gij deze eten: den sprinkhaan naar zijn aard, en den solham naar zijn aard, en den hargol naar zijn aard, en den hagab naar zijn aard.
Lev 11:23 En alle kruipend gevogelte, dat vier voeten heeft, zal u een verfoeisel zijn.
Lev 11:24 En aan deze zult gij verontreinigd worden; zo wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.
Lev 11:25 Zo wie van hun dood aas gedragen zal hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond.
Lev 11:26 Alle beest, dat den klauw verdeelt, doch de klove niet in tweeen klieft, en niet herkauwt, zal u onrein zijn; zo wie hetzelve aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn.
Lev 11:27 En al wat op zijn poten gaat onder alle gedierte, op vier voeten gaande, die zullen u onrein zijn; al wie hun dood aas aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.
Lev 11:28 Ook die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond; zij zullen u onrein zijn.
Lev 11:29 Verder zal u dit onder het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, onrein zijn: het wezeltje, en de muis, en de schildpad, naar haar aard;
Lev 11:30 En de zwijnegel, en de krokodil, en de hagedis, en de slak, en de mol;
Lev 11:31 Die zullen u onrein zijn onder alle kruipend gedierte; zo wie die zal aangeroerd hebben, als zij dood zijn, zal onrein zijn tot aan den avond.
Lev 11:32 Daartoe al hetgeen, waarop iets van dezelve vallen zal, als zij dood zijn, zal onrein zijn, hetzij van alle houten vat, of kleed, of vel, of zak, of alle vat, waarmede enig werk gedaan wordt; het zal in het water gestoken worden, en onrein zijn tot aan den avond; daarna zal het rein zijn.
Lev 11:33 En alle aarden vat, waarin iets van dezelve zal gevallen zijn, al wat daarin is, zal onrein zijn, en gij zult dat breken.
Lev 11:34 Van alle spijze, die men eet, waarop het water zal gekomen zijn, die zal onrein zijn; en alle drank, die men drinkt, zal in alle vat onrein zijn.
Lev 11:35 En waarop iets van hun dood aas zal vallen, zal onrein zijn; de oven en de aarden pan zal verbroken worden; zij zijn onrein, daarom zullen zij u onrein zijn.
Lev 11:36 Doch een fontein, of put van vergadering der wateren, zal rein zijn; maar wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn.
Lev 11:37 En wanneer van hun dood aas zal gevallen zijn op enig zaaibaar zaad, dat gezaaid wordt, dat zal rein zijn.
Lev 11:38 Maar als water op het zaad gedaan zal worden, en van hun dood aas daarop zal gevallen zijn, dat zal u onrein zijn.
Lev 11:39 En wanneer van de dieren, die u tot spijze zijn, iets zal gestorven zijn, wie deszelfs dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.
Lev 11:40 Ook die van hun dood aas gegeten zal hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond; en die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond.
Lev 11:41 Voorts alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, zal een verfoeisel zijn; het zal niet gegeten worden.
Lev 11:42 Al wat op zijn buik gaat, en al wat gaat op zijn vier voeten, of al wat vele voeten heeft, onder alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, die zult gij niet eten, want zij zijn een verfoeisel.
Lev 11:43 Maakt uw zielen niet verfoeilijk aan enig kruipend gedierte, dat kruipt; en verontreinigt u niet daaraan, dat gij daaraan verontreinigd zoudt worden.
Lev 11:44 Want Ik ben de HEERE, uw God; daarom zult gij u heiligen, en heilig zijn, dewijl Ik heilig ben; en gij zult uw ziel niet verontreinigen aan enig kruipend gedierte, dat zich op de aarde roert.
Lev 11:45 Want Ik ben de HEERE, die u uit Egypteland doe optrekken, opdat Ik u tot een God zij, en opdat gij heilig zijt, dewijl Ik heilig ben.
Lev 11:46 Dit is de wet van de beesten, en van het gevogelte, en van alle levende ziel, die zich roert in de wateren, en van alle ziel, die kruipt op de aarde;
Lev 11:47 Om te onderscheiden tussen het onreine en tussen het reine, en tussen het gedierte, dat men eten, en tussen het gedierte, dat men niet eten zal.

Gen 7:3 Ook van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en het wijfje, om zaad levend te houden op de ganse aarde.
Gen 7:4 Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen, en veertig nachten; en Ik zal van den aardbodem verdelgen al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb.
Gen 7:5 dEn Noach deed, naar al wat de HEERE hem geboden had.

d) Gen 6:22 En Noach deed het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij.

Gen 7:6 Noach nu was zeshonderd jaren oud, als de vloed der wateren op de aarde was.
Gen 7:7 Zo eging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem in de ark, vanwege de wateren des vloeds.

e) Mat 24:38 Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging;
Luk 17:27 Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag, op welken Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen.
1Pe 3:20 Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.

Gen 7:8 Van het reine vee, en van het vee, dat niet rein was, en van het gevogelte, en al wat op den aardbodem kruipt,
Gen 7:9 Kwamen er twee en twee tot Noach in de ark, het mannetje en het wijfje, gelijk als God Noach geboden had.
Gen 7:10 En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aarde waren.
Gen 7:11 In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op den zeventienden dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des groten afgronds opengebroken, en de sluizen des hemels geopend.
Gen 7:12 En een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten.
Gen 7:13 Even op dienzelfden dag ging Noach, en Sem, en Cham, en Jafeth, Noachs zonen, desgelijks ook Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen zijner zonen met hem in de ark;
Gen 7:14 Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel.
Gen 7:15 En van alle vlees, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark.
Gen 7:16 En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vlees, gelijk als hem God bevolen had. En de HEERE sloot achter hem toe.
Gen 7:17 En die vloed was veertig dagen op de aarde, en de wateren vermeerderden, en hieven de ark op, zodat zij oprees boven de aarde.
Gen 7:18 En de wateren namen de overhand, en vermeerderden zeer op de aarde; en de ark ging op de wateren.
Gen 7:19 En de wateren namen gans zeer de overhand op de aarde, zodat alle hoge bergen, die onder den gansen hemel zijn, bedekt werden.
Gen 7:20 Vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand, en de bergen werden bedekt.
Gen 7:21 fEn alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf den geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens.

f) Luk 17:27 Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag, op welken Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen.

Gen 7:22 Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven.
Gen 7:23 Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mens aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels, en zij werden verdelgd van de aarde; gdoch Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was.

g) 2Pe 2:5 En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, den prediker der gerechtigheid, zijn achttal bewaard heeft, als Hij den zondvloed over de wereld der goddelozen heeft gebracht;

Gen 7:24 En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen.

Brood en Beker

Deze studie handelt over wat wij gewoonlijk het “Avondmaal” noemen. Ik heb wat moeite met de uitdrukking: “Avondmaal”. Het eigenaardige is namelijk, dat wij het altijd hardnekkig “Avondmaal” noemen, terwijl de Schrift er feitelijk geen speci-
ale naam aan geeft. De Bijbel spreekt gewoon over “het brood en de wijn”; over “brood en beker”; over de “breking des broods11. Naast andere Schriftplaatsen leren 1Kor.11:20 en 21 bovendien onomwonden, dat het geen avondmaal is. Toch is deze uitdrukking zo ingeburgerd dat het waarschijnlijk onmogelijk is om hem te vermijden. Daarom gebruik ik de term ook in deze studie. Dat neemt echter niet weg, dat het strikt genomen eigenlijk niet Bijbels is. Wanneer ik de uitdrukking toch gebruik, is dat niet omdat het korrekt Schriftuurlijk taalgebruik is, maar omdat het korrekt nederlands taalgebruik is. Uiteindelijk heeft een naam niet ten doel een volledige beschrijving te geven. Een naam dient immers enkel en alleen ter onderscheiding! Het woord avondmaal zal hier dan ook hoofdzakelijk gebezigd worden als naam en niet als zelfstandig naamwoord. Daarom zal het steeds tussen aanhalingstekens gebruikt worden.

Daarnaast wil ik er op wijzen, dat deze studie niets anders beoogt te zijn dan juist dat! Een studie dus. Het is niet bedoeld om kritiek te hebben op bepaalde al of niet Bijbelse praktijken. Het is niet de bedoeling de beschuldigende vinger uit te steken naar hen, die er een andere praktijk op na houden dan waartoe deze studie eventueel leidt. Maar wel is het zo, dat bestudering van de Schrift noodzakelijkerwijze leidt tot aanpassing van niet alleen onze overtuiging, maar ook onze praktische geloofsbeleving! Bestudering van de Schrift wordt beantwoord met geloof, niet alleen in woord maar ook in daad. Bestudering van de Schrift is nooit zonder risico. Maar laat dat ons niet weerhouden, om terug te keren tot onze oorsprong. Die oorsprong is niet onze kerkelijke of gemeentelijke traditie! Die oorsprong is uitsluitend het Woord van God zelf. Daaruit zijn wij als gelovigen wedergeboren. Daardoor laten wij ons leiden in het geloof. Daardoor laten wij ons als het goed is ook leiden in de praktijk van ons gemeentelijk leven. Moge de Heer ons de moed geven, om ons daaraan over te geven.

Wel, de Bijbel zegt er niet zo geweldig veel over. Het is daarom heel goed mogelijk, om binnen kort bestek alle Schriftgedeelten, die spreken over het “Avondmaal”, te bezien en te bestuderen. Deze studie begint in Mattheus 26:

“En op de eerste dag der ongehevelde broden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij U bereiden het Pascha te eten? En Hij zeide: Gaat heen in de stad, tot zulk een, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, Ik zal bij u het Pascha houden met Mijne discipelen. En de discipelen deden, gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het Pascha.11 Matt.26:17-20.

“En als zij aten, nam Jezus liet brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het de discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam. En Hij nam de drinkbeker, en gedankt hebbende gaf hen dien, zeggende: Drinkt allen daaruit; Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden. En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op die dag, wanneer Ik met u diezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders. En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg.” Matt.26:26-31.

Dit is de bekende geschiedenis onder het opschrift “Instelling van het heilig avondmaal.” Dat was het inderdaad, maar men had er ook een andere titel boven kunnen zetten. Bijvoorbeeld “De verklaring van de paasmaaltijdll, want dat was het. “Instelling van het heilig avondmaaP zou hier ook boven kunnen staan, maar toch wordt het dan wat moeilijk. Want wat wordt hier dan ingesteld? Welke opdracht wordt hier dan gegeven? in deze verzen lezen wij geen enkele opdracht, behalve de zeer aan plaats en tijd gebonden opdracht, gericht tot de discipelen: “Drinkt allen”, en “Neemt, eet, dat is Mijn Lichaam”. Verder is er in deze verzen -niets te vinden aangaande de instelling van het heilig “Avondmaal”.

Wèl vinden we hier een duidelijke beschrijving van de gebeurtenissen. Deze beschrijving begint met: “En op de eerste der ongezuurde broden.” De vertaling NBG heeft hier: “En op de eerste dag van het feest der ongezuurde broden.” In de grondtekst staat iets anders, namelijk dat het de eerste dàg was van het ongezuurde. Dit is een uitdrukking, die van toepassing is op wat het Oude Testament “de ongezuurde broden” noemt. Het was dus de eerste dag van de ongezuurde broden en wij dienen op te merken, dat het woord “feest” in de grondtekst werkelijk niet gebruikt wordt. Het gaat om de ongezuurde broden. Het gaat om de dágen van ongezuurde broden.

In de praktijk is het zo, dat Israel tot op de dag van vandaag, op de 13de van de eerste maand, 13 Nisan (of Aviv), min of meer ceremoniëel het hele huis doorloopt en doorzoekt. In sommige kringen gaat vader met een lampje of kaarsje voorop, en komt de hele familie achter hem aan door het gehele huis heen, om te kijken of er ergens in huis nog wat zuurdesem is. Men zoekt oud brood, gezuurd brood. Want dat gezuurde brood dient uit het huis verwijderd te worden, opdat bij het aanbreken van de 14de dag van de eerste maand, de 14de Nisan, geen gezuurd brood in huis zou zijn, maar alleen ongezuurd brood. Op de avond van deze 14de Nisan zou dan het paaslam geslacht moeten worden. Het paaslam, dat al 4 dagen officiëel deel uitmaakt van de huishouding.

+++

Dat paaslam moet geslacht worden op de namiddag van de 14de Nisan en wordt dan Is avonds gegeten. Dat is wat er dient te geschieden op de eerste dag der ongezuurde broden. De instelling daarvan vindt u in Exodus 12. Dat is de bekende geschiedenis van de uittocht uit Egypte die plaatsvond naar aanleiding van, en als vervolg op, het eten van het paaslam.

“Spreekt tot de ganse vergadering van Israel, zeggende: Aan de tiende dezer maand neme een ieder een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis. Maar indien een huis te klein is voor een lam, zo neme hij het en zijn nabuur, de naaste aan zijn huis, naar het getal der zielen, een iegelijk naar dat hij eten kan; gij zult rekening maken naar het lam. Gij zult een volkomen lam hebben, een mannetje, één jaar oud; van de schapen of van de geitebokken zult gij het nemen. En gij zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag dezer maand; en de ganse gemeente der vergadering van Israel zal het slachten tussen twee avonden. En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan de beide zijposten, en aan de bovendorpel, aan de huizen, in welke zij het eten zullen. En zij zullen het vlees eten in dezelfde nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broden; zij zullen het met bittere saus eten.” Ex. 12:3-9.

“In de eerste maand, aan de veertiende dag der maand, in de avond, zult gij ongezuurde broden eten, tot de eenentwintigste dag der maand, in de avond.” Ex. 12: 18.

De uitdrukking “tussen twee avonden” heeft een gelijksoortige betekenis als onze uitdrukking “tussen de middag”. Dit laatste suggereert namelijk “tussen twee middagen”. Daarbij gaat het om de voormiddag en de namiddag. “Tussen twee avonden” is gewoon hebreeuws idioom voor “tussen de vooravond en de naävond”. En zoals onze “voormiddag” feitelijk de ochtend is, zo is de “vooravond” feitelijk de middag. Het slachten van het Paaslam diende dus plaats te vinden zo rond zonsondergang.

In Ex.18:12 lazen wij dat Israel vanaf de 14de tot en met de 21ste ongezuurde broden moest eten. Dit begon dus op de avond waarop het paaslam geslacht en gegeten werd. En wanneer in Mattheus sprake is van de eerste dag der ongezuurde broden of ongehevelde broden (wat hetzelfde is), dan gaat het uiteraard over de 14de Nisan. Bovendien staat er nadrukkelijk bij, dat het gaat om het bereiden van de paasmaaltijd. Niet van zomaar een maaltijd, maar van de paasmaaltijd. Dit staat er zelfs tot drie maal toe (vs. 17, 18 en 19).

Dit is een uitgebreide manier om te vertellen welke dag het eigenlijk was. Dit is belangrijk, omdat de maaltijd, waaraan de Heer en Zijn discipelen aanzaten, niet zomaar een maaltijd was, maar de officiële paasmaattijd, welke was ingesteld reeds in Exodus 12 en later ook in Leviticus, enz. Het was dè paasmaaltijd en er kan dus ook geen enkele twijfel over bestaan, dat het daar op tafel aanwezige brood ongezuurd brood was. Hoe dan ook, welke datum het ook was, er staat dat het was op de eerste dag der ongezuurde broden. Als er op de zo omschreven dag
brood op de tafel aanwezig was, kan dat toch echt alleen maar ongezuurd brood geweest zijn. En dat zelfs ongeacht de juiste datum of gelegenheid.

Het bijzondere van de paasmaaltijd is natuurlijk dat de maaltijd op zich bestaat uit het lam. Het belangrijkste voedsel op deze tafel was het geslachte paaslam. Het paaslam, dat een type is van de Heere Jezus, Die geslacht werd voor ons. En zoals onder Israel indertijd in Ex.12 het paaslam geslacht werd, waarop de uittocht, namelijk de verlossing uit Egypte volgde, zo is het ook met ons. Sinds de dood van de Heere Jezus zijn wij verlost geworden. Dat is een analogie, die we tegenkomen in 1Kor.5, maar daarover straks.

Waar het nu in de eerste plaats om gaat, is, dat deze gelegenheid was het eten van die bijzondere, volgens de wet ingestelde paasmaaltijd. Dit paaslam is uiteraard een type van het offer van de Heere Jezus op Golgotha. Het bloed van het paaslam kwam niet in een beker op tafel staan. Het bloed van het paaslam moest oorspronkelijk aan de deurpost gestreken worden. Waar het bloed van het paaslam in latere jaren bleef, als het paaslam geslacht werd, is mij niet bekend. Maar wat er op de tafel in de beker stond, was wijn en niet het bloed van het geslachte paaslam. Het opmerkelijke is, dat de discipelen, als ze aan tafel aanzitten, met geen woord spreken over het paaslam, terwijl het toch aanwezig is. Er werd niets van gezegd. Vermoedelijk omdat dit geen enkele toelichting behoefde. Nu weet
ik wel, dat de discipelen zich niet duidelijk bewust waren van wat er de andere dag stond te gebeuren. Namelijk de overlevering van de Heere Jezus en vervolgens Zijn kruisiging, waarvan het paaslam een type was. Maar hoe dan ook, het paaslam behoefde geen toelichting, omdat het al duidelijk genoeg had moeten zijn. Behalve het paaslam bevindt zich op de paastafel nog ongezuurd brood, wijn, zout en bittere saus, waarin men het ongezuurde brood doopte. Wij dienen nu in te zien, dat niet alleen het paaslam op tafel stond, maar dat het een gevariëerde tafel was. Nu is het merkwaardig, dat er geschreven staat:

“En als zij aten, nam jezus het brood, en gezegend hebbende, brak hij het, en gaf het de discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.” Matt. 26:26.

Het ging dus om ongezuurd brood, het brood dat daar aanwezig was. Hij nam het en Hij zegende het. Dit is de gebruikelijke methode, die tot op de dag van vandaag onder Israel nog wordt gepraktiseerd. De Heer brak het en gaf het de discipelen en zeide: “Neemt, eet, dat is mijn lichaam.” Nu wordt hier gesproken over het breken van het brood. Dit is een vaste uitdrukking. Als we geen vooroordelen hebben, van niets weten, en de vraag stellen: “Waarom brak Hij het brood?”, dan is er slechts één antwoord. Om het de discipelen te kunnen geven. Dit brood moest immers verdeeld, verbroken worden. En aangezien ongezuurd brood hard en bros is, kan het niet gesneden, doch uitsluitend gebroken worden. De Heere Jezus zegt niet dat dit breken iets betekent, maar Hij zegt: “Neemt, eet”, waarop volgt een verklaring van wat dat ongezuurde brood op deze paasmaaltijd feitelijk voorstelt. De verklaring is eenvoudig: “dat is Mijn lichaam”. Er zijn al veel twisten geweest over de betekenis van deze eenvoudige uitspraak. Maar het lijkt mij duidelijk, dat de uitdrukking een gewone metafoor is, een stijlfiguur. Dit houdt in, dat deze woorden overdrachtelijk bedoeld zijn. Er staat: “dat is Mijn lichaam.” Dat betekent blijkbaar, dat dit ongezuurde brood een beeld, een type, is van het lichaam van Christus.
Het brood verandert niet in het lichaam, maar het is een uitbeelding van het lichaam van Christus.

Maar laten wij ons goed realiseren, dat dat niet gezegd wordt van elk willekeurig brood. Het gaat om het brood op deze paasmaaltijd. Slechts dit ongezuurde paasbrood, gelegen naast het paaslam, is een beeld van het lichaam van Christus. Het is een verklaring, zoals we in de Hebreeënbrief zo dikwijls verklaringen krijgen van wat de dingen en inzettingen van het Oude Verbond betekenen. Precies zo verklaart de Heere Jezus wat dit brood op de paastafel, zoals die reeds vijftien eeuwen tevoren werd ingericht, betekent. Het ziet op het Lichaam van Christus.

“En Hij nam de drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hen dien, zeggende: “Drinkt allen daaruit.” Matt.26:27.

Dit vers is analoog aan het voorgaande. De wijn op de paasmaaltijd was een uitbeelding van het bloed van Christus. Het bloed des Nieuwen Testaments; het bloed van het Nieuwe Verbond. Hierbij moeten wij ons rekenschap geven van het feit, dat in tegenstelling tot de gangbare gedachte bloed niet de uitdrukking is van dood, maar van leven. Om voor de hand liggende redenen denken wij mensen bij het noemen of zien van bloed aan de dood. Dat komt omdat bloed, wanneer het zijn funktie vervult, niet gezien wordt. Wanneer het wel gezien wordt vervult het zijn funktie niet, hetgeen tot de dood kan leiden. Maar dit is zo, omdat bloed in feite leven is. Toen bloed gestort werd op Golgotha, werd er leven gestort. Het leven stroomde weg! Want bloed is leven! Wanneer wij dat leren inzien, kunnen wij vervolgens ook vele anders onduidelijke typen begrijpen. Zo werd het leven van het paaslam als het ware overgedragen op de deur. De levende deur is daarom de voortzetting van het gestorven paaslam. De levende deur is dus eigenlijk een type van het “Lam, staande als geslacht” (Op.5:6). Dit principe geldt uiteraard ook voor het bloed, dat gestort werd op het verzoendeksel! Het leven van de geslachte bok werd overgedragen op dit deksel, deze bedekking. Het offerdier leefde als het ware voort als het deksel van de ark des verbonds! Dit bloed symboliseerde ook hier geen dood, maar leven. Het bloed van het Nieuwe Verbond is daarom het leven van het Nieuwe Verbond!

De uitdrukking: “Dat is Mijn bloed”, is volstrekt analoog aan de uitspraak over het brood: “Dat is Mijn lichaam”, en verder is deze wijn vanzelfsprekend de wijn van de paastafel. Maar als we zeggen, dat dat brood en die wijn een uitbeelding zijn van het lichaam en het bloed van de Heere Jezus, dan rijst daarnaast onmiddellijk een vraag, namelijk: Wat is dan de betekenis van het paaslam en het bloed van het paaslam?

Het moet zonder meer duidelijk zijn, dat het paaslam, zoals het op de tafel ligt, een uitbeelding is van het lijden en sterven dat over de Heere Jezus gekomen is. Het is dus een beeld van het lichaam van de Heere Jezus. Het bloed van het paaslam is uiteraard de uitbeelding van het bloed dat eens gestort werd op Golgotha. Natuurlijk gaat het over Golgotha en wat daar gebeurde. Het paaslam en het bloed van het paaslam spreken over het lijden en sterven van de Heere Jezus. Maar waarvan zijn brood en beker op dezelfde tafel dan een beeld? Als brood
en beker eveneens een beeld zijn van lichaam en bloed van de Heiland, waarom hebben we hier dan een dubbel beeld van zijn lijden en sterven? Maar als brood en beker een andere betekenis hebben, dan het lam en het bloed, wat is dan het verschil?

Het verschil tussen het paaslam en het brood en de beker is, dat het paaslam te maken heeft met het Oude Verbond, namelijk met echt bloed. Het echte bloed van het paaslam was een type van het echte bloed van de Heere Jezus. Dat is niet overdrachtelijk. Het ligt veel dichter bij elkaar. Dit bloed van het paaslam is het type van het bloed van de Heere Jezus. En het lichaam van het paaslam, een vleselijk lichaam, was het type van het vleselijke lichaam van de Heere Jezus, dat aan het kruis genageld werd. Het had te maken met de eis van de wet, en met het Oude Verbond. Maar wanneer we spreken over de wijn, dan staat er: “Dat is Mijn bloed, dat des Nieuwen Testaments.11 Het bloed van het Nieuwe verbond. Dat is niet fysiek bloed, maar dat is leven. Leven onder het Nieuwe Verbond. En het leven onder het Nieuwe Verbond is heel eenvoudig het leven dat de dood achter zich heeft. Het verschil tussen het leven van het Oude verbond en het leven van het Nieuwe Verbond is, dat het leven van het Oude Verbond dode dingen in het vooruitzicht heeft: dat is de natuurlijke mens, met als perspektief de dood. Het leven van het Nieuwe Verbond is daarentegen het leven dat is opgestaan uit de dood en de dood inmiddels achter zich heeft gelaten.

“Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode.” Rom. 6: 10.

Hier vinden we in één keer de komplete verklaring van wat brood en beker op de paasmaaltijd voorstellen. Het lam is de uitdrukking van het leven onder het Oude Verbond, en dus van de Heere Jezus, Die geboren werd onder het Oude Verbond, “onder de wet, opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou” (Gal.4:5). Daarnaast zijn brood en beker van de paasmaaltijd een uitdrukking van het lichaam en het leven, behorend bij het Nieuwe Verbond. Het zijn dus beelden en typen van de opgestane Christus. Waar het paaslam de uitdrukking is van de Gekruisigde, zijn brood en beker de uitdrukking van de Opgewekte. En dat is een heel belangrijke aangelegenheid. Beiden hebben natuurlijk van alles te maken met de dood. Beiden staan in een bepaalde relatie tot de dood. Maar het Oude Verbond leidt tot de dood, terwijl het Nieuwe Verbond de dood achter zich heeft. Het lichaam en het bloed van het Nieuwe Verbond is uit de dood opgestaan. Dat is een groot verschil, want het perspektief van het Paaslarn was het kruis, de dood, en daarom wordt het paaslam niet meer gegeten. Ook vandaag zelfs onder het Jodendom niet. Men heeft er alleen maar een overblijfsel van, een deel van het paaslam, omdat men de tempel niet heeft. Het paasfeest moest immers gevierd worden in Jeruzalem, bij de tempel.

Het paaslam wordt in die zin niet meer geslacht, omdat het “Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt”, waarvan het paaslam een type was, inmiddels geslacht is. Het paaslarn zag vooruit naar de dood! Doch wij eten brood en drinken wijn, die typen zijn van nieuw leven. Het zijn daarom geen typen van de dood, maar van opstanding! Daar gaat het om. Dat is een elementair verschil. Helaas ziet men bij de bediening van het “Avondmaal” dikwijls uitsluitend achterom. Men ziet terug naar het kruis en de dood. Maar dat is nu juist niet de betekenis en de zin van brood en beker, want dat is de betekenis van het paaslam. En dàt eten wij niet meer. Uiteraard niet! Daar wij de dood hebben overwonnen, daar wij met Christus zijn opgestaan uit de dood, behoren wij geconfronteerd te worden met leven.
Want dát is de enige betekenis van brood en beker.

Het schijnt een goede gewoonte te zijn tegenwoordig, om vooral in de week, die aan de viering van brood en beker vooraf gaat, zichzelf te onderzoeken. Vooral te zien op de oude mens, om te zien of men wel waardig is om aan te zitten. Wie dat werkelijk goed doet, laat het wel uit zijn hoofd om aan te zitten aan het “Avondmaal”. Want dan zijn wij daartoe immmers niet waardig. Maar wij moeten juist niet zien op onszelf. Dit zien op onszelf hangt juist samen met een leven onder de wet. Een leven onder het Oude Verbond. En zoveel Christenen hebben zich onder de wet geplaatst. Zij lezen uit de Bijbel verlost te zijn van de wet. Maar geen nood, zij maken vervolgens zelf een andere wet, om zich daaronder te plaatsen, om maar met het oude bezig te kunnen zijn. En binnen datzelfde kader past waarschijnlijk ook het verschijnsel dat heel dikwijls de paasmaaltijd gevierd wordt, niet met ongezuurd brood, maar met gezuurd brood. Dat is dan ook meer terecht in dit verband. Want gezuurd brood is een type van het oude, zondige leven. Want zuurdesem is in elk geval een beeld van de zonde.

Ik steek geen beschuldigende vinger uit naar hen, die dat in onwetendheid doen. Daar gaat het mij helemaal niet om. Het zij verre van mij kritiek te hebben op bepaalde praktijken, dat is niet de bedoeling. Het gaat er mij alleen maar om, het Woord te laten zien en de dingen met elkaar in verband te brengen. Laten wij daarom verder gaan met Matt.26. Er staat:

“Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.” Matt.26:28.

Het bloed, dat is de wijn dus, wordt vergoten. Dit betekent, dat een ieder ervan drinkt, zoals er gezegd wordt: “Drinkt allen daaruit.” En dat drinken van allen uit die ene beker, houdt verband met de uitspraak: “Hetwelk voor velen vergoten wordt.” Dit vergieten heeft daarom dezelfde betekenis als het verbreken van het brood; het hangt samen met het uitdelen. De betekenis is niet, dat het brood daarbij echt verbroken wordt, en dat dit ziet op een verbroken lichaam of iets dergelijks. Net zo min als er staat dat de wijn in stukjes verdeeld is, en dat het dus ziet op een uitgestort bloed. Integendeel. Het is zo, dat het verbreken van het brood, en het vergieten van de wijn, noodzakelijk zijn om iedereen daaraan deel te kunnen laten hebben. Dit is beslist geen eigenzinnige verklaring. We zullen zien, dat in 1Kor.10 ronduit staat:

“Want één brood is het, zo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn.” 1K or. 10: 17.

Hier staat dus dat het nog steeds één brood is, hoewel wij allen van dit brood gegeten hebben! Waarom? Omdat het breken van het brood voor de verklaring van de typologie, de verklaring van het beeld, nauwelijks een rol spreelt! Het wordt slechts gebroken om het te kunnen uitdelen. Want officiëel blijft het één brood, omdat het brood het type is van één lichaam, namelijk het lichaam van Christus onder het Nieuwe Verbond.

De toevoeging “tot vergeving der zonden” is een versterking van deze gedachte. Want natuurlijk is het juist, dat de Heer leed en stierf en “overgeleverd is om onze zonden”, maar Hij werd “opgewekt om onze rechtvaardigmaking11 (Rom.4:25). De opstanding van Christus is daarom de basis van de vergeving der zonden.
Zegt niet 1Kor.15 “En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden!” Wij zien dus, dat het “bloed dat voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden” de uitdrukking is van het opstandingsleven van
Christus onder het Nieuwe Verbond! Want “het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde” (Igoh.1:7). Het is immers de levende Heiland, die ons reinigt (Hebr.7:25).

Maar laten wij eerst zien, wat de Evangelieën ons leren over deze inzetting. Eerst nogmaals Mattheus:

“En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer Ik met u dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders.” Matt.26:29.

Dit wordt gezegd tot gelovigen: 9k zal niet meer van de vrucht des wijnstoks drinken, tot op dien dag, wanneer ik met u diezelve niéuw zal drinken.” Nieuwe wijn dus! “Zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders” is een opmerkelijke uitspraak. Want waar is de Heer Jezus nu? Hij is gezeten in het Koninkrijk Zijns Vaders. Weliswaar gaat het daarbij om het nog verborgen Koninkrijk. Maar dat is wel degelijk het Koninkrijk van de Vader. Daar is Hij nu. En waar zijn wij nu? Op dezelfde plaats natuurlijk. Ook in het Koninkrijk des Vaders. “Het Koninkrijk” van de
Zoon” wordt het genoemd (in KoL1:13) en het is tegelijkertijd het Koninkrijk van de Vader ook. Zo zit dat namelijk met het erfrecht: Vader en Zoon hebben dezelfde bezittingen. Zo gaat het met erfrecht onder Israel, en zo is het hier ook.

Dat Koninkrijk is de Heer reeds lang ingegaan. En wat staat er dat Hij in dat koninkrijk zou doen? Die wijn drinken, de vrucht des wijnstoks. Maar nu staat er dat Hij ze “niéuw” zal drinken in het Koninkrijk Zijns Vaders, niet dat Hij ze “wéér” zal drinken. Zo wordt het gewoonlijk wel opgevat, maar zo staat het er niet. Dat wil zeggen, dat het niet gaat om diezelfde wijn, die Hij zal drinken in het Koninkrijk. Maar het gaat om nieuwe wijn!

Dat dit nieuwe wijn is, betekent vanzelfsprekend niet, dat het gaat om nieuwe wijn omdat de oude op is. In dat geval had het woord “nieuw” hier zelfs gewoon weggelaten kunnen worden. Het is duidelijk, dat als het één keer gedronken is, het niet voor de tweede keer gedronken wordt. Het gaat er blijkbaar om, dat er in het Koninkrijk des Vaders iets anders gedronken wordt dat de wijn, zoals die hier op de paastafel voorkomt. Maar de wijn is er wel degelijk een beeld van. We kunnen het daarom rustig wijn blijven noemen, maar dan in de overdrachtelijke of geestelijke betekenis.

Wijn is de vrucht van de wijnstok. In zijn diepste wezen is de wijnstok een type van Christus als het Zaad van Abraham. Abraham was de wijnstok; Christus is de w re Wijnstok als het Zaad van Abraham. Hoe dan ook, het bloed, waar de wijn een
type van is, dat is het leven. Het leven van het Nieuwe Verbond. En het is dat leven waaraan gedronken wordt. Nu! Door Christus Zelf en door ons. Dat is niet iets, dat in de toekomst vervuld zal worden, en dat te maken heeft met een normale beker met wijn, maar het gaat om dat, waarvan die wijn een type is. Het gaat om het leven van het Nieuwe Verbond. Het leven dat er is in Christus. Het leven van het Nieuwe Verbond. Hoe heet dat? Dat heet Geest! Dat is het leven onder het Nieuwe Verbond. Het leven onder het Oude Verbond heet ziel. De ziel, die zal zondigen zal sterven. De eerste mens, Adam, was een levende ziel, maar de tweede mens, die leeft onder het Nieuwe Verbond, is Geest. Hij wordt in J.Kor.15 “de Heere uit de hemel” genoemd. Enige hoofdstukken eerder staat het ook reeds:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt; Hetzij goden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” 1Kor.12:13.

Wij zijn door één Geest (de wijn) tot één Lichaam (het ongezuurde brood) gedoopt. En wij drinken allen aan dezelfde Geest, dezelfde wijn. En wij doen dat binnen (de verborgenheid van) het Koninkrijk. In precies dezelfde betekenis komen we brood
en beker later nog tegen in het Evangelie van Markus:

“En op de eerste dag der ongehevelde broden, wanneer zij het Pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tot Hem: “Waar wilt Gij, dat wij heengaan, en bereiden, dat Gij het Pascha eet.” Mark. 14:12.

Hier krijgen we weer de tijdsaanduiding. Er staat “op de eerste dag der ongehevelde broden” en “wanneer zij het Pascha slachtten.” Nu zouden we zeggen: “Nu weten we het wel,” maar het gaat nog even door: “en wanneer zij het Pascha slachtten, zeiden de discipelen tot Hem: “Waar wilt Gij, dat wij heen gaan, en bereiden dat Gij het Pascha eet?” Er kan geen misverstand over bestaan. Het gaat weer over dezelfde gebeurtenis, dezelfde dag, dezelfde datum, de 14de Nisan. En Hij zond twee van zijn discipelen uit.

“De Meester zegt: Waar is de eetzaal, daar Ik het Pascha met Mijn discipelen eten zal.” Mark. 14:14b.

“En Zijn discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het, gelijk Hij hen gezegd had, en bereidden het Pascha.” Mark. 14:16.

Dat het ging om het eten van het Pascha met ongezuurd brood, staat er dus vier maal. In Mattheus drie maal. Dan vervolgens in hetzelfde boek, hetzelfde hoofdstuk:

“En als zij aten, nam 3ezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zeide: “Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.” Mark. 14:27.

Dit is precies dezelfde formulering als in Matt.26:26. Vervolgens lezen we in dit hoofdstuk:

“En Hij nam de drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hen dien; en zij dronken allen uit denzelven. En Hij zeide tot hen: Dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt. Voorwaar, Ik zeg u, dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op die dag, wanneer Ik dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods.” Mark. 14:23-27.

Laten we het woordje “nieuw” weg, dan gaat het gewoon over wijn. Maar staat het woordje “nieuw” ertussen, dan blijkt het helemaal niet over wijn te gaan, maar over dat waar de wijn een type van is, namelijk: Het leven dat uit de dood is opgewekt. In Markus vinden we dus precies hetzelfde als in Mattheus, en daarom is verder kommentaar hier overbodig. En zo komen we dan terecht bij Lukas:

“En de dag der ongehevelde broden kwam, op welke het Pascha moest geslacht worden.” Luk.22:7.

“En de dag der ongehevelde broden kwam.” Let u er wel op, dat we nog geen enkele keer hebben gelezen over het féést van de ongezuurde broden. Het gaat gewoon over de dagen waarop slechts ongezuurde broden in huis waren, uiteraard te beginnen met de 14de Nisan. In deze tekst gaat het dus over de eerste dag van de ongezuurde broden. In de hier volgende teksten wordt vier maal over het Pascha geschreven.

“En Hij zond Petrus en 3ohannes uit , zeggende: “Gaat heen en bereidt ons het Pascha, opdat wij het eten mogen.” Luk. 22:8.

“En gij zult zeggen tot de huisvader van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal, daar Ik het Pascha met Mijn discipelen eten zal”?
Luk. 22: 11.

“En zij heengaande, vonden het, gelijk Hij hen gezegd had, en zij bereidden het Pascha.” Luk. 22:13.

“En hij zeide tot hen: “Ik heb grotelijks begeerd, dit Pascha met u te eten, eer dat Ik lijde.” Luk.22:15.

Intussen hebben wij nu al twaalf verwijzingen, dat deze bijeenkomst in de opperzaal de viering van het Pascha was, namelijk 3x in Mattheus, 4x in Markus en 5x in Lukas. Na al deze bevestigingen dat het’ gaat om de paasmaaltijd en dus om ongezuurde broden, lezen wij:

“Want Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods.” Luk.22:16.

“Totdat het vervuld zal zijn”, d.w.z., wanneer de Heer opnieuw van dit brood zal eten, is het niet meer dit brood zelf, maar de vervulling daarvan. Dit betekent, dat de Heer dan inderdaad niet slechts deel heeft aan dit brood, maar ook aan het lichaam, waarvan het brood een type is. Uiteraard zal Hij dan niet slechts drinken van de letterlijke wijn, maar van de Geest en het Leven, waarvan de wijn een type is! Zo eenvoudig is dat. Al deze dingen spreken over “de opstanding en het leven” onder het Nieuwe Verbond en in het Koninkrijk!

“En als Hij een drinkbeker genomen had, en gedankt had, zeide Hij: Neemt dezen, en deelt hem onder ulieden.” Luk. 22:17.

Eerst wordt hier de wijn genoemd. Merkwaardig. In de andere Evangelieën was dit niet zo. Hier wordt eerst de wijn genoemd, en Hij zegt: “Deelt hem onder ulieden.” Reeds eerder heb ik opgemerkt, dat het breken van het brood en het uitgieten van
de wijn slechts genoemd worden, omdat dat nodig was om het te verdelen. Het moest verdeeld worden, opdat iedereen er deel aan zou krijgen. En dan staat er:

“Want Ik zeg u, dat Ik niet drinken zal van de vrucht des wijnstoks, totdat het Koninkrijk Gods zal gekomen zijn.” Luk.22:18.

Wanneer we even heel diep op de dingen in gaan, zouden we uit dit vers kunnen besluiten, dat de wijnstok een beeld is van liet Koninkrijk. Dit is temeer zo, omdat de wijnstok een type is van de opgewekte Christus, terwijl Christus de Koning en daarom ook het Koninkrijk zelf is. Misschien wat moeilijk te begrijpen, maar beslist Bijbels! En dan staat er:

“En Hij nam het brood en als Hij gedankt had, brak Hij het en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn Lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt.”
Luk. 22:19.

Een lichaam, dat voor u “gegeven” wordt, niet een lichaam dat voor u “gedood” wordt. Bovendien staat er ook niet: Dit is mijn lichaam hetwelk voor u “verbroken” wordt. Dit laatste is een heel hardnekkig cliché, maar het stáát er niet. We hebben het ook tot nu toe niet gelezen. Er staat: Hetwelk voor u, dus ten behoeve van u, gegeven wordt.

“Doet dat (di. het eten van het ongezuurde brood) tot Mijn gedachtenis.”
Luk. 22:19.

Dit betekent, dat wij bij het eten van het brood verondersteld worden aan de Heer te denken. Maar wij hebben geen dode, doch een levende Heiland! Daarover spreken deze beelden. Zo ook de drinkbeker:

“Desgelijks ook de drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt.” Luk.22:20.

“Na het avondmaal” staat er. Wij zien hier dus, dat de drinkbeker niet tot het avondmaal, de maaltijd als zodanig, gerekend wordt! “Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed” of: ‘Weze drinkbeker is het Nieuwe Testament namelijk Mijn bloed” of: “dit is het Nieuwe Testament verbonden met Mijn bloed.” Want dat is eigenlijk de betekenis van het woordje “in”.
Het hangt met elkaar samen. Het Nieuwe Verbond hangt samen met het bloed van Christus, dat door de wijn wordt voorgesteld.

En dan staat er: “Hetwelk voor u vergoten wordt.” En verder in het volgende vers:

“Doch ziet, de hand Desgenen, die Mij verraadt is met Mij aan de tafel”
Luk.22:21.

Ook hier wordt er verder niets meer over deze gebeurtenis gezegd. En wat er gezegd wordt is volstrekt in overeenstemming met de voorgaande Evangelieën. In het volgende Bijbelboek wordt het iets moeilijker.

“En voor het feest van het Pascha, Jezus wetende dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader” Joh. 13: 1.

Nu is het zo aardig, dat we hier te maken krijgen met een vers dat als eerste genoemd wordt wanneer gesproken wordt over de verschillen tussen de Evangelisten, de Evangelieën. Men zegt namelijk dikwijls, dat de Evangelieën niet met elkaar in overeenstemming zijn. Dat er zoveel tegenstrijdigheden zijn tussen
Mattheus, Markus, Lukas en Johannes. En gevraagd naar voorbeelden van deze veronderstelde tegenstrijdigheden wordt steevast als eerste het “probleem” van 3oh.13:1 genoemd. Want daar staat: “En vddr het feest van Pascha 11, waarbij de klemtoon gelegd wordt op “vóór. “Vóór het feest van Pascha, Jezus wetende dat Zijn ure gekomen was dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader…”, enz. Dit is hier blijkbaar de aanduiding voor de dag waarop de paasmaaltijd gevierd werd. Want daar gaat dit hoofdstuk over. Hoofstuk 13, 14 en 15 gaan over de bijeenkomst aan de paastafel, die we eerder beschreven vonden bij de andere Evangelisten. Deze hoofdstukken spreken o.a. over de voetwassing, de belofte van de Heilige Geest en de Ware Wijnstok. Dit laatste hoogstwaarschijnlijk naar aanleiding van de Wijn, die als vrucht van de wijnstok een beeld is van het nieuwe leven, de Heilige Geest. Het bijzondere hierbij is echter, dat in deze hoofdstukken helemaal niet over het paaslam en brood en beker gesproken wordt. Wel over de wijnstok. Dit verslag is daarom eigenlijk veel uitgebreider dan dat van de andere
Evangelisten. Waar het om gaat is, dat deze dingen wel degelijk gebeuren ter gelegenheid van het Pascha op de avond van de 14de Nisan. Het woord “avondmaal” is blijkbaar een normale aanduiding voor deze paasmaaltijd.

Een heel gangbare opvatting is nu, dat deze gebeurtenissen in Joh.13 en volgende hoofdstukken volgens vers 1 niet op de 14de maar op de 13de plaatsvonden. Dit zou in strijd zijn met de andere Evangelisten. Men concludeert dit uit de aanhef in
Joh.13:1: “En vddr het feest van Pascha.11 De enige fout die men dan maakt is, dat men de klemtoon verkeerd legt. Dat is alles. De klemtoon moet niet liggen op v¢dr, maar op féést! En dan is de hele kwestie opgelost. Het was volgens vers 1 namelijk voor het féést van Pascha. Het was niet v66r ongezuurde broden, maar het was voor het féést van de ongezuurde broden.

Het eigenaardige is, dat wij altijd praten over het féést van Pascha. Maar in de Bijbel is Pascha helemaal geen feest. Wij noemen het zo, maar de Bijbel doet dat niet. Daarom hadden de vertalers het woord “feest” nooit mogen invoegen in Mattheus, Markus en Lukas. Het gaat daar niet over het féést van de ongezuurde broden of het feest van Pascha (hetgeen twee verschillende aanduidingen van hetzelfde feest zijn) maar over de dagen van de ongezuurde broden. Het bijzondere is alleen, dat de dágen van de ongezuurde broden lopen van 14 tlm 21 Nisan
en dat het féést van de ongezuurde broden duurt van 15 t/m 21 Nisan. Dat is alles.

Het féést van de ongezuurde broden, ook genoemd het féést van Pascha, duurde van 15 t/m 21 Nisan. Het werd gevierd op grond van het daaraan voorafgaande Pascha, dat op 14 Nisan viel en geen feest genoemd wordt! Ook op 14 Nisan, de dag van Pascha, de dag van het slachten en eten van het paaslam, was er slechts ongezuurd brood en mocht er geen zuurdesem in huis zijn. Daarin komt de 14de Nisan met de zeven dagen van het féést overeen. Dit betekent, dat de acht dagen van de 14de tot en met de 21ste allemaal dagen waren van ongezuurde broden.
Maar de eerste daarvan was de dag van het Pascha, waarop het nog geen feest was. Daarop volgden de 15de tot en met de 21ste, waarop het wel feest was. Dit feest heet dan “het feest van ongezuurde broden” of “het feest van Paschall. Beide namen zijn natuurlijk eenvoudig te verklaren. De eerste slaat op de afwezigheid van zuurdesem, terwijl de tweede wijst op het Paaslarn als de grondslag voor het feest!

Beide namen worden dus door elkaar en willekeurig gebruikt. Zo spreekt ook de joodse historicus Flavius losefus over “het feest der ongezuurde broden, dat wij Pascha noernen” (Oudh.14,2,1; 17,9,3). Maar wat in de Bijbel niet door elkaar gebruikt wordt is de uitdrukking “feest”. Het slachten en eten van het paaslam
wordt in de grondtekst nooit “feest” genoemd. Maar wel de zeven dagen die daarop volgen.

Deze belangrijke waarheid vinden we uiteraard in de eerste plaats in het Oude Testament. We lezen in de wet:

“Deze zijn de gezette hoogtijden des Heeren, de heilige samenroepingen, welke gij uitroepen zult op hunne gezette tijden.” Lev.23:4.

En dan komt het:

“In de eerste maand, op de veertiende der maand tussen twee avonden is des Heeren Pascha.” Lev. 23:5.

Hier vinden we geen vermelding van een feest, doch alleen de uitdrukking “des Heeren Pascha”.

“En op den vijftiende dag derzelver maand, is het féést van de ongezuurde broden des Heeren; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten. Op de eerste dag zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen.” Lev. 23:6 en 7.

“Op de eerste dag.” Dat is uiteraard de eerste dag van het féést. En dat is niet de 14de, maar de 15de Nisan. We zien hier, dat eerst Pascha gehouden wordt op de 14de Nisan, en dat de dag daarop pas het féést begint. Het féést dat feitelijk gebaseerd is op de paasmaaltijd en op het slachten van het paaslam.
Het bijzondere is trouwens, dat het Pascha als zodanig bij de opsomming van de feesten, wanneer ze kort samengevat worden, niet eens genoemd wordt. In Exodus 23 wordt gesproken over de drie feesten, die Israel jaarlijks moest vieren in Jeruzalem:

“Drie reizen in het jaar zult gij Mij feest houden.” Ex. 23:14.

Drie reizen, want Israel moest naar Jeruzalem reizen om de feesten te kunnen vieren. En dan wordt er vervolgens gezegd:

“Het feest van de ongezuurde broden zult gij houden: zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten (gelijk Ik U geboden heb), ter bestemder tijd in de maand Abib; want in dezelve zijt gij uit Egypte getogen….”
Ex. 23:15.

“Abib” is gewoon een andere naam voor de maand Nisan. Het is opmerkelijk, dat hier in Ex.23 de feesten worden opgesomd, waarbij Pascha inderdaad niet genoemd wordt. Het komt in de opsomming niet voor! Het maakt er geen deel van uit, want
Pascha, dat in de eerste plaats te maken heeft met het slachten en eten van het paaslam, is geen féést. Het ziet immers primair op de kruisiging, en de kruisiging van de Heere Jezus is geen féést. Het is daarom niet zo vreemd, dat wij tot op heden van Goede Vrijdag gewoonlijk geen feestdag maken. Op Goede vrijdag gedenken wij het lijden en sterven van de Heere Jezus en we maken daar geen féést van. We staan het als het ware over. En inderdaad, in de Bijbel is het zeker geen féést. Het féést begint officiëel de dag na het Pascha. In Exodus vinden we echter een vers, waarvan de vertaling suggereert, dat Pascha een feest is. Sprekend over het Pascha aan de avond van de 14de wordt er gezegd:

“En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den Heere tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting. Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten….” Ex. 12:14, 15.

De tegenstrijdigheid ontstaat, doordat de vertalers de woorden “hem” en “tot” gemeend hebben te moeten invoegen. Wanneer we die woorden alsnog weglaten, is de tegenstrijdigheid weer verdwenen:

“En deze dag (slechts één dag; de 14de; het Pascha) zal ulieden wezen ter gedachtenis. En gij zult ( den Heere ( een feest vieren zeven dagen…” Id.

Van het Pascha en de daarbij horende paasmaaltijd wordt hier gezegd, dat hij dient “ter gedachtenis% precies zoals dat later gezegd wordt van brood en beker op deze tafel. Vervolgens wordt er gesproken over het “feest van Pascha” of “het feest
der ongezuurde broden”, dat op het Pascha volgde op de 15de t/m de 21ste der maand. Geen enkele tegenstrijdigheid dus. Niet hier en niet in Joh.13:1. “Voor het féést van Pascha” betekent dus “nog niet op de 15de maar nog op de 14de Nisan”. En dat is volkomen in overeenstemming met Mattheus, Markus en Lukas! En dan te bedenken, dat deze zogenaamde tegenstrijdigheid altijd als voorbeeld gebruikt wordt voor de onbetrouwbaarheid van de Evangelisten!

We gaan nu direkt verder naar het kommentaar, dat op brood en beker gegeven wordt in de enige overgebleven plaats in het Nieuwe Testament. Dat is in de eerste brief aan Korinthe. We komen dan eerst in het vijfde hoofdstuk terecht. Niet omdat
brood en beker daar genoemd worden, maar omdat het feest van de ongezuurde broden daar genoemd wordt in verband met het voorafgaande Pascha.

“Uw roem is niet goed. Weet gij niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt? Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. Zo dan, laat ons féést houden, niet in de oude zuurdesem, noch in de zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.” 1Kor.5:6-9.

Als dat geen duidelijke taal is, weet ik het niet meer. Natuurlijk is dit allemaal overdrachtelijk, maar daarom is het wel duidelijk. Er staat in de eerste plaats dat zuurdesem het gehele deeg doorzuurt. Want zuurdesem is agressief. Zuurdesem is een type van zonde in het algemeen, en meer in het bijzonder van valse leer. Hier is het daarom speciaal een type van de zondige oude mens met zijn dwalingen. Daarom wordt er gezegd: “Zuivert het oude zuurdesem (namelijk de oude mens) uit.” Waarom? “Opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt.”
Dat wil zeggen, dat het nieuwe, ongezuurde deeg bij gelijkenis wordt toegepast op de gelovigen te Korinthe. “Opdat gij een nieuw, (namelijk ongezuurd) deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt.” En dat ongezuurde deeg, dat een ongezuurd brood moet worden, is een type van de Gemeente. Dat is de bedoeling en daarom moet het zuurdesem verwijderd worden. En wat staat er dan verder?

“Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.” 1Kor. 5:7.

Want het punt was, dat onder Israel het zuurdesem moest worden weggedaan vanwege het slachten van het paaslam. En als het paaslam geslacht is, dan volgt daarop het féést van de ongezuurde broden. Zo staat het hier dan ook: “Ons Pascha is voor ons geslacht.” Dat betekent, dat het zuurdesem is weggedaan. Anders kan men geen Paaslam slachten. Maar dat betekent vervolgens, dat wij na het slachten van het paaslarn fééstvieren. “Zo laat ons féést houden, niet in de oude zuurdesem 11, want dat is geen reden om feest te vieren. Dat oude zuurdesem doorzuurt het hele deeg. Denkt u maar aan de gelijkenis van die vrouw, die zuurdesem verborg in drie maten fijn meel (Matt.13:33). En het werd helemaal doorzuurd. Het ging helemaal de verkeerde kant op. Zuurdesem geeft geen reden tot féést vieren. Maar hier is wèl reden tot feestvieren. Want bij ons is het zuurdesem in principe uitgezuiverd. Daar gaat trouwens de hele brief over. Beide brieven aan de Korinthiërs betogen, dat het oude zuurdesem geacht wordt uitgezuiverd te zijn. De oude mens wordt geacht dood te zijn. Daar hadden de Korinthiërs zoveel moeite mee. Met hun vleselijke levenswandel. Ik zeg niet zondige levenswandel. Zo wordt het dikwijls wel uitgelegd. Maar het gaat om hun vleselijke gezindheid. Hun gerichtheid op de aardse dingen (1Kor.3:1-3). Maar die aardse dingen zijn zuurdesem. Zij zijn verbonden met het Oude Verbond, de oude wereld, die in feite onder de wet thuishoort. Maar daar horen wij niet bij. Wij zijn gestorven en begraven en met Christus opgewekt en gezet in de hemel. Wij leven na de dood. Na het slachten van het Paaslam. Daarom eten wij officiëel ongezuurd brood. Het is het type van het Lichaam, dat niet geplaatst is onder het Oude Verbond, maar onder het Nieuwe. Het gaat om Lichaam en Leven onder het Nieuwe Testament (Verbond).

De bijbehorende wijn heeft als kenmerk, dat het de gistende en zurende werking reeds achter zich gelaten heeft. Het is uitgegist en uitgezuurd. Het gistende zuur heeft zijn werking daarin inmiddels verloren. In plaats daarvan bevat het alcohol, dat een type is van de Geest. Wij drinken deze wijn, omdat het een beeld is van de Heilige Geest, het nieuwe leven, het leven van het Nieuwe Verbond. Precies zoals het door de Heere Jezus verklaard wordt. Wat zegt Paulus hiervan? Paulus verklaart brood en beker niet eens. Dat hoeft hij niet te doen omdat deze typen zo duidelijk zijn en omdat zij door de Heer Zelf al verklaard waren! Hij verbindt er alleen conclusies aan. Hij gaat er van uit dat iedereen weet wat het betekent en hij wijst daarop als voorbeeld. Hij gebruikt liet als uitgangspunt voor de praktijk van het Christelijk leven!

Het eigenaardige is, dat Paulus te maken heeft met zoveel vleselijk levende Christenen en dan niet zegt: “Denk er om, dat u niet zomaar aan het “Avondrnaal” mag, want dan ontheiligt u het”, of woorden van gelijke strekking. Maar hij zegt: “Kijk eens naar het “Avondmaal”, waar u zo dikwijls aan deelneemt. Leert u daar dan niets van?” Hij gaat er van uit, dat men daar begint, aan die tafel, opdat men het vervolgens in de praktijk van het leven ook waar kan maken. Omdat men er door brood en beker steeds weer bij bepaald wordt! Waarbij? Bij het leven dat er is in Christus. Niet bij zuurdesem, niet bij het leven van de oude mens, maar bij het leven van de nieuwe mens; dat wat opgestaan is. Niet bij het paaslam, want dat is terecht niet meer aanwezig. Maar bij het ongezuurde brood. Dan hebben wij reden om féést te vieren. Dan lopen wij niet dag in dag uit te zuchten en te verlangen naar de zondag, waarop wij weer geestelijk gesterkt kunnen worden. Want zo hoort het niet! Nee, het is andersom. De zondag is niet de laatste, maar de eerste dag
der week. We beginnen met de maaltijd. We beginnen met deel te hebben aan het leven van Christus. We beginnen met het drinken van de wijn. Met als consequentie dat we deel hebben aan het Lichaam. En we eten van het ongezuurde brood. Dat is de volgorde, die in 1Kor.12:13 genoemd wordt. Want wij zijn “door één Geest tot één Lichaam gedoopt.” En dan, dan wordt het een heel ander leven. Dan hebben wij het zogenaamde “Avondmaal” niet als een bijkans onbereikbaar ideaal voor ons staan. Integendeel, dan hebben wij het als uitgangspunt! Dat is
het verschil tussen het Oude en het Nieuwe Verbond. Want ons Paaslam is voor ons geslacht. Dat is gebeurd, dat is vervuld in Christus. “Zo dan, laat ons féést houden, niet in de oude zuurdesem, noch in de zuurdesem der kwaadheden en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid” (1Kor.5:8). Aan deze zelfde gelovigen schrijft de apostel Paulus later in zijn tweede brief:

“Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees. Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een
nieuw schepsel: het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.” 2Kor.5:16, 17.

Christus heeft de oude mens weggedaan. Al wat gezuurd is kennen wij niet meer. Zou het misschien symptomatisch kunnen zijn, dat wij dikwijls op de avondmaalstafel gezuurd brood hebben staan en tegelijkertijd onze broeders en zusters, die rond die tafel zitten, bekritiseren? Komt die kritiek niet voort uit het kennen van de oude mens, waarvan zuurdesem het Bijbelse type is? In plaats van de oude mens te onderzoeken, zouden wij moeten onderzoeken, wat de leerstellige maar ook praktische betekenis is van brood en beker, waaraan wij als gelovigen deel hebben. De vraag is namelijk niet of wij of anderen daar wel het recht toe hebben. Nee, de vraag is, wat de praktische konsekwentie is van ons gezamenlijk deelnemen aan dezelfde tafel!
Vragenderwijs stelt de apostel Paulus ons deze consequentie voor:

“Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt gij hetgeen ik zeg…” 1Kor.10:15.

Paulus leert niet iets, Paulus vr  gt de Korinthiers iets. Hij vraagt ben hun gezond verstand te gebruiken. “Oordeelt gij hetgeen ik zeg”:

“De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus?
Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus?” 1Kor.10:16.

Dat is de dubbele vraag die ons gesteld wordt. Is dat soms niet zo? Is dat niet een beeld, een gemeenschap des bloeds, niet van Jezus (want dat is eens gestort op Golgotha en daar is het gebleven), maar is het niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het gaat niet om het leven van Jezus, het gaat om het leven van Christus. Het gaat niet om het leven van de Gekruisigde, dat uitgestort werd, maar het gaat om het leven van de Opgewekte, dat in Hem is en dat in ons is. Is het niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Geven wij door te drinken van de wijn niet uitdrukking aan het feit, dat wij deel hebben aan het bloed, aan het leven van Christus? Het leven van het Nieuwe Verbond? Niet leven in vlees, maar leven in Geest, waar de wijn een beeld van is. Hetzelfde geldt voor het brood. Het brood dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus? En wat is dat Lichaam dan? Het lichaam van Christus kennen we best. Dat is niet het lichaam dat gekruisigd werd! Het lichaam van Christus is dat Lichaam waar wij leden van geworden zijn, waar wij gemeenschap mee hebben, waar wij deel aan hebben. Waarin wij bepaalde verantwoordelijkheden hebben. Ook hier zien we weer dezelfde verhoudingen. Het Paaslam is het type van het lichaam van de Gekruisigde. Maar het ongezuurde brood naast het paaslarn en op dezelfde paastafel is het type van het lichaam van de Opgewekte. Het Lichaam van Christus! Met andere woorden: Het ‚ne brood, waaraan wij allen deel hebben is een type van de Gemeente waarvan wij allen leden zijn! Let u dan nu eens op het volgende vers in uw Bijbel:

“Want één brood is het, zo zijn wij velen één Lichaam, dewijl wij allen eens broods deelachtig zijn.” 1 Kor. 10: 17.

Want hoeveel stukjes brood zijn het? Dat is waar wij menselijkerwijze de nadruk op zouden leggen. Wij zouden de nadruk leggen op het feit, dat elk afgebroken stukje brood nu eenmaal verschillend is. Maar de Schrift doet dat niet! De Schrift benadrukt, dat dit ‚ne brood in wezen één brood blijft! “Want één brood is het….” En dat, terwijl het voorgaande vers spreekt over “…..het brood dat wij breken”
De betekenis is niet, dat het brood nadien geen brood meer is, omdat het in stukjes verdeeld is! Integendeel! De essentie is, dat het brood gebroken wordt om het uit te kunnen delen, opdat wij allemaal deel hebben aan hoeveel broden? Aan één brood! ga, inderdaad! Het is niet zo, dat we ieder een stukje hebben van wat nu geen brood meer is, maar dat we allen deel hebben aan één brood.
Want hoewel wij er allen deel aan gekregen hebben, blijft het voor de betekenis wel degelijk één hééi brood! Dat staat hier ook: “één brood is het”! Niet: “één brood wàs het.” Het gaat niet over het lichaam aan het kruis, dat overigens ook één bleef. Dat lichaam werd net zo min gebroken. Dat wilde men doen, maar de profeten hadden gezegd dat het niet gebroken zou worden! Er zou helemaal geen been van Hem gebroken worden (Joh.19:33, 36; Ex.12:46; Num.9:16). Maar hier gaat het om het in alle opzichten ongebroken Lichaam van Christus, waaraan wij deel hebben. “Want één brood is het, zo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij ééns broods deelachtig zijn.” Duidelijker kan het toch al niet gezegd worden. Er kan geen andere verklaring zijn, dan dat dit éne ongezuurde brood op de paastafel een type
is van de Gemeente, het Lichaam van Christus, waarvan wij deel uit maken. “Gelijk gij ongezuurd zijt 11 (1Kor.5:7). En zo vinden we dat ook in het volgende hoofdstuk. Dat wordt waarschijnlijk wel het meest geciteerd in dit verband:

“En als Hij gedankt had, brak Hij het en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.”
1Kor. 10:24.

Alleen de statenvertaling heeft hier, en ook alleen maar hier:”dat voor u gebroken wordt.” Dat is bijzonder jammer, aangezien het er niet behoort te staan. In de betere handschriften staat namelijk gewoon: “dat is Mijn lichaam voor u.” De betekenis van dit “voor u” is uiteraard gelijk aan de uitdrukking “dat voor u gegeven wordt”, zoals het voorkomt in de Evangelieën. “Voor u” betekent namelijk eenvoudig “ten behoeve van u”. Dit belangrijke vers herhaalt dus slechts de betekenis van de oorspronkelijke woorden van de Heere Jezus. Bovendien behoren
wij ons heel goed te realiseren, dat dit absoluut de enige Schriftplaats is, waarin deze zo vaak geciteerde woorden voorkomen. Alleen hier vinden we de uitspraak “dit is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt”! En aangezien de Statenvertaling
hierin abuis is, komt de uitdrukking dus in de gehele Schrift niet voor! In de vertaling van het NBG is zij dan ook niet terug te vinden. Dit betekent, dat we deze uitdrukking absoluut niet mogen gebruiken. Het hier bedoelde lichaam van Christus onder het Nieuwe Verbond is niet dood en kan niet gedood worden.
Juist daarom vieren wij féést. Het zeven dagen durende feest van ongezuurde broden! Want dit ongezuurde brood is de uitbeelding van het onbevlekte, onverwelkelijke en onverderfelijke leven van de opgewekte Christus! Het heeft de dood achter zich. Want het sterfelijke werd gesymboliseerd door het paaslam, dat inmiddels terecht van de tafel verdwenen is!

Het is een bekend gegeven, dat waar in het Oude Verbond, in de ceremoniële wet, sprake was van dood, dikwijls ook sprake was van opstanding. Dat principe vinden wij bijvoorbeeld in de twee bokken van de Grote Verzoendag. E‚n werd gedood, en de ander werd de woestijn in gestuurd (Lev.16). Dood en opstanding dus. Een ander voorbeeld vinden wij in de twee vogels. Eén werd gedood en de ander werd gedoopt in het bloed van de eerste en vervolgens vrijgelaten (Lev.14). Dood en opstanding dus. Dit vinden we hier in de paasmaaltijd ook terug. Aan de ene kant het geslachte paaslam en daarnaast brood en beker als type van de opstanding!

Volledigheidshalve moet ik erop wijzen, dat niet alleen “dat ….. gebroken wordt” in 1Kor.11:24 overkompleet is, maar dat ook de woorden “neemt, eet” in de betere handschriften niet voorkomen. Waarschijnlijk is deze inmiddels bekende verbastering ontstaan, doordat ooit iemand de woorden uit de Evangelieën heeft
ingevoegd. Maar genoeg daarover.

Hij zeide: “dit is Mijn lichaam voor u; doet dit tot Mijn gedachtenis.” De bedoeling van het gebruiken van brood en beker is dus, dat wij aan Hem zouden denken. Het is echter niet de bedoeling dat wij denken aan de Gekruisigde, maar aan de Opge-
wekte. De Opgewekte met wie wij gemeenschap hebben. En dat kan uiteraard alleen als Hij leeft. Nu! Anders konden wij geen gemeenschap met Hem hebben.

“Desgelijks nam Hij ook de drinkbeker na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doe dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken tot Mijn gedachtenis.” 1Kor.11:25.

Ook hier zien wij, dat brood en beker gebruikt werden ná de maaltijd, zodat zij feitelijk geen deel uitmaakten van wat het “Avondmaal” genoemd wordt! En ook door de wijn worden wij herinnerd aan de Opgewekte. Wij worden herinnerd aan Christus, Zijn Leven en Zijn Geest! En dan volgt het enige vers in de gehele Schrift waarin met betrekkking tot het brood en de beker gesproken wordt over de dood:

“Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten en deze drinkbeker zult drinken, zo verkondigt de dood des Heeren, totdat Hij komt.”
1Kor. 11:26.

Tegelijkertijd is dit het laatste vers in de gehele Bijbel, dat spreekt over het “Avondmaal”. Het is het enige vers dat spreekt over de dood. Maar er staat niet, dat brood en beker een type zijn van het stèrven des Heeren. Nee, het gaat om de
dddd des Heeren. Het verschil is, dat sterven de aanduiding is van het proces, zoals dat voltrokken wordt, terwijl dood wijst op het feit, dat dit proces in het verl‚den voltooid werd. Het verkondigen van de dood des Heeren is het verkondigen van het feit dat Hij in het verleden leefde en stierf. Het wijst op iets, dat voltooid is. Het punt is juist, dat brood en beker geen type zijn van de stervende Christus, maar van de Opgewekte, Wiens sterven in het verleden ligt! En wanneer wij de opgewekte Christus prediken, of demonstreren (dat doen wij als wij brood en beker tot ons nemen), dan is dat tegelijkertijd de verkondiging van de dood (niet het sterven) van het oude. Als we de typen hanteren van het Nieuwe Verbond, dan demonstreren en verkondigen wij tegelijkertijd het einde van het Oude Verbond.
Zo zegt de apostel Paulus het ook:

“Als Hij zegt: Een Nieuw Verbond, zo heeft hij het eerste oud gemaakt; dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning.” Hebr.8: 13.

Waar wij leven onder een Nieuw Verbond, heeft het Oude afgedaan. Welnu, daar gaat het hier ook over. Er staat niet: verkondigt de dood van Jezus, of iets dergelijks. Maar er staat: Zo verkondigt de dood des Heeren. Als we het in het Hebreeuws zouden zeggen, zou het moeten zijn: “Zo verkondigt de dood van JeHoWaH.11 En wie is ]eHoWaH, wie is de Heere? Hij is Degene, Die Zich openbaarde op de Sinai en zei: “Denk erom, Ik ben JeHoWaH Uw God; Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland hebt uitgeleid. Doe wat Ik zeg! Hier is Mijn wet!” De Heere is de God met wie Israel in een verbond trad.

Maar wat leert Paulus, wat leert het Nieuwe Testament erover? Dat Diezelfde Heere gestorven is aan het kruis. JeHoWaH, met Wie Israel een verbond had en met Wie Israel gehuwd was, stierf op Golgotha. Daarmee kwam er een eind aan de huwelijksrelatie tussen de Heer en Israel (Rom.7). Daardoor werd Israel vrij van de wet. Waartoe? “Opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is” (Rom.7:4b). Opdat gij u zoudt verbinden met die andere Man, Die uit de doden is opgewekt. En wanneer dat gebeurt, wanneer wij ons verbinden met die Opgewekte, betuigen en verkondigen wij inderdaad de dood van JeHoWaH, namelijk het einde van het Oude Verbond; het einde van de natuurlijke mens. Want dat is de consequentie: het einde van het vlees. Het einde van de oude mens, daar gaat het om. Dat is de boodschap aan de gelovigen te Kornthe. Dat is trouwens het hart van deze brief. Het gaat hier niet om de instelling van het “Avondmaal”.. Het gaat om de lering door het “Avondmaal”. Het “Avondmaal” leert
immers het leven onder het Nieuwe Verbond. Een leven, niet in het vlees, maar een leven in de Geest. Een leven dat niet gericht is op de aardse, vleselijke, vergankelijke dingen, maar op de onzienlijke, eeuwige, geestelijke dingen. Een nieuw leven op grond van de dood van het oude leven. Dat is wat wij verkondigen! Eigenlijk zouden wij deze enkele verzen uit 1Kor.11 in een veel breder verband moeten lezen en bestuderen. Want in de volgende hoofdstukken, een paar verzen verder reeds, spreekt de apostel over de verschillende gaven in dat ene Lichaam. En dan krijgen we die tekst, die ik al eerder heb aangehaald.

“Want gelijk het lichaam één is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzo ook Christus.”
1Kor. 12:12.

Alzo ook het brood op de Paastafel. Zo staat het er natuurlijk niet. Er staat “aIzo ook Christus”. Maar dat is wel degelijk hetzelfde. Het brood is (een beeld van) het lichaam van Christus. En zoals er vele stukjes van één brood zijn gebroken, zo is er
toch maar één brood. En zoals er vele leden zijn van het Lichaam, zo is er maar één Lichaam, De klemtoon ligt daarbij op één Lichaam, op één Christus. En dan volgt de verklaring:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één Lichaam gedoopt; hetzij loden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” 1Kor. 12:13.

“Eén Geest”: de wijn. “Eén Lichaam”: het brood. “Tot één Geest gedrenkt” betekent zoveel als “Wij drinken allen aan dezelfde Geest.” Zoals we allen drinken aan dezelfde beker bij het “Avondmaal”, zo drinken we allen aan dezelfde Geest. En door één Geest zijn we tot één Lichaam gedoopt. Is het u ook opgevallen, dat in dit vers eerst gesproken wordt over de Geest, dan over het Lichaam en dan weer over de Geest? Zoals in Lukas eerst gesproken wordt over de wijn, dan over het brood, en dan weer over de wijn. Het begint bij de Geest. Het begint bij de werking van Gods Geest, Die ons doopt tot één Lichaam, Die ons maakt tot één Lichaam, eenvoudig omdat die Geest in elk van ons is. En waar één Geest in eik van ons is, zijn we vanzelfsprekend één Lichaam. Zoals één geest in al mijn lichaarnsdelen is en daardoor al die lichaamsdelen tot één lichaam maakt, zo is in ons allen één Geest, namelijk de Geest van Christus, Die ons allen maakt tot het Lichaam van Christus. En omdat wij één Lichaam zijn drinken we wij vervolgens ook uit één Geest, zegt de apostel. Het begint met de Geest en het eindigt met de Geest. Het Begint met de wijn en het eindigt met de wijn. Door aan te zitten aan de “Tafel des Heeren”, om die uitdrukking maar eens te gebruiken, geven we geen uitdrukking aan het lijden en sterven van de Heere Jezus, want dat is eigenlijk nog een fase terug, maar geven we uitdrukking aan de verbondenheid en aan de gemeenschap des Lichaams van Christus. Omdat wij onze gemeenschap met de Eersteling van een nieuwe Schepping uitdrukken, verkondigen wij de dood van de
Heere van de oude schepping. Wij drukken dus onze verbondenheid met Hem uit. Daarom heeft het in wezen helemaal niet met de dood te maken. Maar wanneer we zo leven, en wanneer we deze waarheden op deze wijze uitdrukken in het “Avondmaal”, dan is dat uiteraard niet omdat dit moet. Nee, dan is dat vanzelfsprekend de verkondiging, de prediking van de dood van Jehovah. Het einde van het Oude Verbond. Het eind van de wet maar ook het eind van het vlees. En in dat laatste zijn beide Korinthe-brieven gekarakteriseerd. Daar gaat het Paulus om.
Daarom is het meest elementaire van de gemeentelijke waarheden dat het Oude Verbond geen enkele geldigheid meer heeft, en dat wij leven onder een Nieuw Verbond, zoals Paulus ook in de Hebreeën-brief uiteenzet. Dat is de betekenis van de dood van 3eHoWaH. Dat is de betekenis van “de dood des Heeren”.

In feite hebben wij nu alle Schriftplaatsen bezien, waar de instelling van brood en beker aan de orde komt. Dat neemt echter niet weg, dat er op meer plaatsen in het Nieuwe Testament over het “breken des broods” gesproken wordt. In al die gevallen vinden wij slechts de bevestiging van het voorgaande. Eén van die gelegenheden vinden wij in de geschiedenis van de “Emmaüsgangers” in Luk.24. In dat hoofdstuk vinden we eerst de opstanding van de Heere Jezus beschreven “op de eerste dag der week, zeer vroeg in de morgenstond” (Luk.24:1). Daarna ontmoeten wij de teleurgestelde Emmasgangers “op dezelfde dag” (vs.13). Het gaat dus om gebeurtenissen op de dag van de opstanding van Christus, de eerste dag der week. Bovendien was deze dag één van de dagen van het feest der ongezuurde broden! Dit feest was immers begonnen op de dag van de kruisiging, namelijk 15 Nisan. De dag van de opstanding was “na twee dagen” en “op de derde dag”. De opstanding vond dus plaats op 17 Nisan, de eerste dag der week gedurende de zeven dagen van het feest van ongezuurde broden. Zonder nu op de geschiedenis zelf in te gaan, komen we terecht bij de woorden:

“En het geschiedde, als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood, en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun. En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht.”
Luk.24:30, 31.

Deze dingen gebeurden op de eerste zondag na de paasmaaltijd in de opperzaal. De eerste zondag na de zogenaamde instelling van het heilig “Avondmaal”. In deze geschiedenis vinden we dan ook de eerste viering van deze inzetting! Wij zien hier, dat “Hij met hen aanzat”. De woorden drukken de gemeenschap uit tussen de Heer en deze twee mensen. Daarna lezen wij woorden, die volstrekt overeenkomen met die aangaande de bediening van brood en beker tijdens de paasmaaltijd van enige dagen geleden. “Hij nam het brood, en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun” Dit brood is uiteraard ongezuurd brood, omdat het het feest van ongezuurde broden is! En zodra deze Emmaüsgangers dit brood aangereikt krijgen,
staat er “en hun ogen werden geopend en zij kenden Hem.” Dit is wel een heel treffende illustratie van wat het betekent om dit brood te eten “tot Zijn gedachtenis”. Zij ontvangen dit brood en als gevolg daarvan kennen zij Hem. Zij nemen dit brood, en zij weten Wie Hij is! Hij is de Opgewekte! Hij is de verrezen Messias, “Die Israel verlossen zou” (vs.21). Want dit ongezuurde brood is het type van de opgewekte Christus, Die met hen aanzat! De eerstvolgende opmerking is nu “en Hij kwam weg uit hun gezicht” (vs.31). Want dat is het kenmerk van de tegenwoordige bedeling. Wij hebben een verrezen Messias. Een levende Heiland en Hogepriester. Maar wij zien Hem niet. Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, zoals de profeten gesproken hadden. Maar in plaats van Hem Zelf te zien, hebben wij de
beelden van brood en wijn, die dienen tot Zijn gedachtenis. Want deze eenvoudige en zichtbare beelden, zijn typen van de Onzienlijke Hogepriester, die is ingegaan achter het voorhangsel in het binnenst heiligdom. Ook deze Emmasgangers houden
slechts het brood over. De Heer Zelf verdween uit hun gezicht. Hij werd de Onzienlijke. Maar het brood was genoeg om hen bij de Onzienlijke te bepalen. Zij spreken in het volgende vers (vs.32) verder over dit Paaslam, dat opstond hoewel het geslacht was. Want Hij is Degene, Die de Schriften opent. Want al de profeten en al de Schriften getuigen van Hem (vs.27), Die leed en stierf en vervolgens door opstanding de dood overwon.

Daarom is Hij Degene, Die de Schriften opent (vs.32)1 Doordat zij gemeenschap geoefend hadden met de Christus, Die was opgestaan, stonden ook zij op (vs.33) en keerden vervolgens terug naar Jeruzalem. En in Jeruzalem getuigden zij van de betekenis van het ongezuurde brood, dat de Heer nam, zegende en brak. Want nadat de discipelen tot hen zeiden Me Heer is waarlijk opgestaan” (vs.34), vertelden deze beide Emmasgangers “hoe Hij hun bekend was geworden in het breken des broods” Het brood, dat tot gedachtenis van de levende Christus is!

Deze eerste “avondmaalsviering” was niet de laatste. In Hand.2 lezen wij, dat de eerste gelovigen na de Pinksterdag “waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden” (Hand.2:42). Dit “volharden” betekent, dat zij iets volhielden, iets voortzetten. Dit houdt in, dat zij vasthielden aan wat zij reeds eerder ontvangen en uitgevoerd hadden. Hoewel deze dagen in Hand.2 niets meer van doen hebben met het feest van ongezuurde broden, hebben wij geen enkele reden om aan te nemen, dat deze “breking des broods” iets geheel anders zou zijn. Integendeel. Het breken van het brood wijst juist op het feit, dat het ongezuurd en dus hard brood was! Bovendien wordt de breking des broods hier in één adem genoemd met “gemeenschap”. En “het brood dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus?” (1Kor.10:16). Ook de volgende verzen (Hand. 2:44-47) spreken uitdrukkelijk over de gemeenschapszin van de eerste gemeente, waarbij het breken des broods weer speciaal vermeld wordt (vs.46).

Daarna vinden we het breken van het brood vermeld in Hand.20:7, waar het eveneens geschiedt op de eerste dag der week. Bovendien wordt daar gesuggereerd, dat de gelovigen gewoon waren, dit zo te doen. Daarbij verdient het speciale vermelding, dat het ook hier gebeurde in de avond! Dat was al zo bij de instelling tijdens de paasmaaltijd van de Heer en de discipelen. Dat was ook zo bij de Emmaüsgangers. In Hand.2 vinden wij geen vermelding omtrent de tijd, maar hier in Hand.20 blijkt het weer in de avond te zijn, precies zoals het woord
“Avondmaal” suggereert!

Opmerkelijk is nu, dat men blijkbaar overgaat tot het breken van het brood, nadat “een zeker jongeling met name E’utychus” (vs.9) niet alleen “van de derde zoldering nederwaarts” (vs.9) gevallen en gestorven was, maar ook weer was opgewekt (vs.11). Zelfs zonder te zien dat deze val van de derde verdieping overeenkomt met de vernedering van de Heiland vanuit de derde hemel; en zelfs zonder te zien, dat de opstanding van deze E’utychus verband houdt met de opstanding van Christus; kunnen wij vaststellen, dat het breken van het brood hier in direkt verband staat met opstanding uit de dood in het algemeen. En daar gaat het nu maar om!

Dit geldt ook, wanneer het breken van het brood genoemd wordt in Hand.27. Daar spreekt de apostel Paulus zijn reisgenoten en medegevangenen bemoedigend toe, en zegt:

“…..niemand van u zal een haar van het hoofd vallen. En als hij dit gezegd had en brood genomen had, dankte hij God in aller tegenwoordigheid; en gebroken hebbende begon hij te eten. En zij allen, goedsmoeds geworden zijnde, namen ook zelven spijze….”
Hand.27:35, 36.

Eerst wordt gezegd, dat zij gered zullen worden, dan volgt het breken van het brood, en daarna volgt de definitieve redding. Ook deze geschiedenis van Paulus’ schipbreuk is vol typologie. Dit schip en zijn inzittenden zijn een type van de Gemeente temidden van de woelige baren van de Ilvolkerenzeell. Maar ons behoud is zeker. Geen voorspoedige reis, maar wel een behouden aankomst. Een redding op grond van de levende Christus, Die onze Hogepriester is! Wie deel heeft aan het ongezuurde brood; wie deel heeft aan het lichaam van Christus, is van zijn behoud volkomen zeker. Laten wij daarom door brood en wijn onze blik richten op onze eeuwige Hogepriester naar de ordening van Melchizedek. Onze Hogepriester naar de orde van Hem, die ooit brood en wijn voortbracht (Gen.14:18). Onze Hogepriester, tot wiens gedachtenis wij brood en wijn gebruiken. Onze onvergankelijke Hogepriester, Die “volkomen kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden” (Hebr.7:25). Want deze volkomen zaligheid is volgens de Schrift niet slechts het resultaat van de kruisiging! Want indien Christus niet is opgewekt, zo zijn wij nog in onze zonden (IKor.15:17). Maar deze zaligheid is het gevolg van Zijn overwinning op de dood. Zijn overwinning ook over deze oude schepping. Daarom is Hij de Eersteling en het Hoofd geworden van een nieuwe schepping. Daarom ook is Hij de Middelaar van het Nieuwe Verbond. Onze Heere Jezus Christus, “welke werd overgeleverd om onze zonden”, maar Die Gode zij dank ook werd “opgewekt om onze rechtvaardigmaking” (Rom.4:25). Van dit laatste zijn brood en beker de zienlijke beelden. Zij bepalen ons bij de levende Christus, Wiens leden wij zijn. Opdat wij zouden leven en wandelen,

“…..ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons van God.” Hebr. 12: 2.

Genesis 6

Genesis 6

De boosheid der mensen.

Gen 6:1 En het geschiedde, als de mensen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden,
Gen 6:2 Dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.
Gen 6:3 Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren.
Gen 6:4 In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
Gen 6:5 En de HEERE zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, en aal het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was.

a) Gen 8:21 En de HEERE rook dien liefelijken reuk, en de HEERE zeide in Zijn hart: Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des mensen wil; want het gedichtsel van ‘s mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
Job 15:16 Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water?
Spr 6:14 In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.
Jer 17:9 Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?
Mat 15:19 Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.
Rom 3:10 Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een;
Rom 3:11 Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt.
Rom 3:12 Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot een toe.
Rom 8:6 Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede;

Gen 6:6 Toen berouwde het den HEERE, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
Gen 6:7 En de HEERE zeide: Ik zal den mens, dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.
Gen 6:8 Maar Noach vond genade in de ogen des HEEREN.

De zondvloed aangekondigd.

Gen 6:9 Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. bNoach wandelde met God.

b) Gen 5:22 En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

Gen 6:10 En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.
Gen 6:11 Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel.
Gen 6:12 Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
Gen 6:13 Daarom zeide God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven.
Gen 6:14 Maak u een ark van goferhout; met kameren zult gij deze ark maken; en gij zult die bepekken van binnen en van buiten met pek.
Gen 6:15 En aldus is het, dat gij haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte der ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte.
Gen 6:16 Gij zult een venster aan de ark maken, en zult haar volmaken tot een elle van boven; en de deur der ark zult gij in haar zijde zetten; gij zult ze met onderste, tweede en derde verdiepingen maken.
Gen 6:17 Want Ik, zie, Ik breng een watervloed over de aarde, om alle vlees, waarin een geest des levens is, van onder den hemel te verderven; al wat op de aarde is, zal den geest geven.
Gen 6:18 Maar met u zal Ik Mijn verbond oprichten; en cgij zult in de ark gaan, gij, en uw zonen, en uw huisvrouw, en de vrouwen uwer zonen met u.

c) 1Pe 3:20 Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.
2Pe 2:5 En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, den prediker der gerechtigheid, zijn achttal bewaard heeft, als Hij den zondvloed over de wereld der goddelozen heeft gebracht;

Gen 6:19 En gij zult van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk, doen in de ark komen, om met u in het leven te behouden: mannetje en wijfje zullen zij zijn;
Gen 6:20 Van het gevogelte naar zijn aard, en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard, twee van elk zullen tot u komen, om die in het leven te behouden.
Gen 6:21 En gij, neem voor u van alle spijze, die gegeten wordt, en verzamel ze tot u, opdat zij u en hun tot spijze zij.
Gen 6:22 En Noach deed het; dnaar al wat God hem geboden had, zo deed hij.

d) Gen 7:5 En Noach deed, naar al wat de HEERE hem geboden had.
Heb 11:7 Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is.

 

Bijbelstudie over dope

Het woord in de Bijbel voor ‘dopen’ is ‘Baptizo’ (w.w.) Dit werkwoord komt zo’n 80 x voor in het N.T.

Gebruik buiten het N.T. om:

  • het zinken van een schip
  • soldaten die een rivier of beek overstaken
  • wassen van voorwerpen (borden, schalen enz.)
  • verven van b.v. gordijnstof

Nederlandse betekenis: in een vloeistof dompelen. (onderdompelen)
Taal en geschiedkundig is men het er unaniem over eens dat in de eerste eeuw altijd door onderdompeling gedoopt werd. Naarmate de doopbeschouwing meer en meer sacramentalistisch werd kwam begieting en besprenging voor.

In het N.T. kan dit Griekse woord verschillende betekenissen hebben:

  • wassen. (Lk.11:38)
  • ritueel reinigen. (Hebr.9:10)
  • onderdompelen. (Mark.7:4)
  • het bedienen van de doop. (Matth.28:19)

Een afgeleid woord is het zelfst. nw. ‘Baptisma’ hetgeen ‘doop’ betekent en komt zo’n 22 x voor.

Er zijn verschillende soorten doop in het N.T.

  1. de doop van Johannes de DoDer. (Matth.3:6)
  2. de doop van Jezus Chr. door Johannes. (Matth.3:13) niet van bekering vs. 15 om alle gerechtigheid te vervullen +
    inwijden in Zijn openbare bediening. (uniek)
  3. het lijden en sterven van Christus. (Luk.12:50)
  4. de doop in de Heilige Geest. (Hand.1:5)
  5. de doop met vuur. (Matth.3:11)
  6. de doop in Mozes en de zee. (1Cor.10:3)
  7. de doop voor de doden. (1Cor.15:29)
  8. de doop in de betekenis van een rituele wassing. (Hebr.9:10)
  9. de doop der gelovigen. (christelijke doop) (Matth.28)

Over de christelijke doop zijn er verschillende standpunten.
In grote lijnen zijn er 3 visies:

  1. De Sacramentalistische doopvisie. (R.K.)
  2. De Reformatorische doopvisie.
  3. De Baptistische doopvisie.

we willen daarbij de volgende vragen stellen:

  1. wat is de betekenis?
  2. wie worden er gedoopt?
  3. op welke manier?

I. De Sacramentalistische doopvisie: (R.K. Kerk)

Een sacrament wil zeggen: dat het middel (het water) de genade bevat. Hier leert men, dat de wedergeboorte plaatsvindt door het water van de doop. (het stoffelijke is het kanaal waardoor de genade wordt medegedeeld)

De R.K. Kerk leert:

  • dat het doopsel het voornaamste sacrament is.
  • dat het doopsel alle zonde en straffen vergeeft.
  • dat het ons recht geeft op de hemel.
  • dat het ons herboren doet worden.
  • dat het ons heiligmakende genade geeft.
  • dat het ons in staat stelt een bovennatuurlijk leven te leiden.
    (Marc.16:15,16; Hand.2:38; Hand.22:16; Joh.3:5; Tit.3:5; Gal.3:27)

Vraag: Wie wordt gedoopt?
Antw. Wie dan ook! Ongelovigen. De doop redt juist. kinderen, volwassenen, eig. geen beperking. De doop wordt bediend alleen door de geestelijkheid. (de priester is nodig) De zaligheid wordt medegedeeld door de geestelijkheid.
Uitzondering = Nood Doop.

Manier? In ’t algemeen door besprenging. Eis: het water moet vloeien. (begieten) In ’t begin van de R.K. werd ook door onderdompeling gedoopt. Men is tot besprenging overgegaan i.v.m. o.a. zieken, die te ernstig belemmerd waren.

II. De Reformatorische doopvisie:

De Heidelbergse Catachismus zegt het volgende., “Zal men ook de jonge kinderen dopen?
Ja, want mitsdien zij zowel.als de volwassenen begrepen zijn in het verbond van God en Zijn Gemeente, en dat hun door christus bloed de verlossing van zonden, en de Heilige Geest, niet minder dan aan de volwassenen toegezegd wordt, zo moeten zij ook, door de doop, als door het teken des verbonds, in de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, gelijk in het oude Verbond of Testament door de besnijdenis geschied is, voor welke in het Nieuwe Verbond de doop ingezet is”.

De kerken die voortgekomen zijn uit de Reformatie leren:

  • dat het geloof de zaligheid brengt. (niet de doop)
  • dat het geloof een gave van is van God, die Hij verbondskinderen geeft.
  • dat het verbond zich uitstrekt over Abraham en zijn nageslacht.
  • dat het teken (zegel) de besnijdenis is (O.T.) of de doop (N.T.)
  • dat God binnen het verbond werkt van geslacht op geslacht.
    (Matth.19o.14; Luk.1:5; Hand.2,39; Hand.10:47,48; Hand.169.15-33; 1Cor.7:12-14; Col.2:11,12)

Zeer belangrijk bij dit standpunt is de motivatie die gegeven wordt vanuit de verbondsgedachte.

  • God sloot met Abraham een verbond.
  • gelovigen zijn kinderen van Abraham.
  • het verbond geldt voor ouders en kinderen.
  • teken voor oud verbond is de besnijdenis; voor het nieuwe verbond de doop.

De doop is een voortzetting van de besnijdenis omdat de Gemeente de voortzetting van Israël is.

Vraag: Wie wordt gedoopt?
Antw: Kinderen van gelovige ouders, en volwassenen die nog niet gedoopt zijn.

Manier? Meestal door besprenging. De manier is van tweede belang.

Commentaar: Terecht zegt men dat alleen geloof ons kan behouden. Niet de doop zoals de R.K. Kerk leert. In dit proces zijn wij echter niet passief. Wij moeten ons vertrouwen op Christus stellen. (bekeren) Dat is een daad van de mens. Verder is er een duidelijke scheiding tussen het Oude en Nieuwe Verbond.
(2Cor.3) (Instelling Avondmaal)
Ook spreekt de Schrift niet over een zegel van de doop, maar de Heilige Geest is het zegel (waarmerk, onderpand) van het geloof. (Efz.1:14)
Bovendien werkt God nu niet meer van geslacht op geslacht – zoals binnen het Oude Verbond – maar wordt deze geslachtslijn doorbroken en gaat het Evangelie naar alle volken. (Mt.28:19,20)

Verbondstheologie – verschillende soorten nageslacht Abraham – kinderdoop.

III. De Baptistische Doopvisie.

Binnen deze visie is de doop geen sacrament, maar een teken.
De innerlijke geestelijke werkelijkheid (nl. geloot) wordt uiterlijk zichtbaar in de doop. Daarom worden ook uitsluitend gelovigen gedoopt. (geen ongelovigen zoals bij de R.K. Kerk, of babies van gelovige ouders, zoals bij de Reformatorische kerken).
Definitie: De doop is een uiterlijk zichtbaar teken van een innerlijke geestelijke werkelijkheid. De doopkandidaat legt zelf getuigenis af van zijn/haar persoonlijk geloof. Hij laat zijn zonden afwassen (symbolisch uitgebeeld) en vereenzelvigt zich met de dood en opstanding van Jezus Christus.

Betekenis van de doop:

  • een vereenzelviging met Jezus christus. Een éénwording met Hem. (in Zijn dood, opstanding) Identificatie: Rom.6.¯3,4 1Cor.10:2
  • een getuigenis voor:
    – de gemeente (hierbij horen we nu – Hand.2:41)
    – de wereld (deze verzaken we, zweren we af)
    – de satan (we staan niet meer onder zijn heerschappij, maar we hebben een nieuwe Meester – Rom.6:6,7,12,14)
    – het eigen vlees (het oude eigen IK willen we voor dood verklaren – Gal.2:20)
    – een bede van een goed geweten tot God. 1Petr.3:21
    – een teken van de afwassing van zonden. Hand.22:16
    – een bekleed worden met Christus. Gal.3:27
    – een daad v gehoorzheid-liefde/toewijding. Mt.28 Hd.10:48

Wat is nodig om gedoopt te worden? Eerst goed genoeg zijn? Min of meer zonder zonde? een bepaalde graag van heiligheid be reikt hebben? Neen!
Antw: Je moet wel een kind van God zijn! Chisten = Is iem. die in Christus als zijn Verlosser gelooft (die Hem toebehoort) en ook het verlangen heeft om Hem te volgen. Discipelschap!

Vraag: Wie worden er gedoopt? Antw: alleen gelovigen.
Hand.2:41; Hand.8:36,37; Hand.18:8

De waterdoop van iemand is Bijbels gezien pas geldig (gerechtvaardigd) als het gebaseerd is op persoonlijk geloof van de dopeling.
Het geloof werd centraal gesteld alvorens men gedoopt werd.
Mt.28; Marc.16:16; Hand.2:38-41; Hand.8:12,36.37; Hd.9w.18; Hd.10:2,44-48; Hd.16:14,15,30-34; Hd.18:8; Hd.19:1-6

Vraag: Hoe kan ik zeker weten een kind van God te zijn?
Niet uit onszelf.-(verstand, gevoel, wil) ervaringen enz.
Niet op grond wat anderen zeggen.
MAAR op grond van het Woord van God! 1Joh.5:10-13; Joh.1:12,13; Joh.5:24.

In wiens naam wordt er gedoopt?
In de naam van de Drieënige God en Jezus. Mt.28:19,20 Hand.2:38

Hoe werd er gedoopt? D.m.v. onderdompeling in water. Joh.3:23; Hand.8:38 (illustratie Zondvloed)

Door wie wordt men gedoopt? Een gelovige, onbelangrijk wie! 1 Cor.I:14

De Sacramentalistische doopvisie

Hier leert men, dat de wedergeboorte plaatsvindt door het water van de doop. Een aantal Bijbelteksten moet deze stelling bewijzen:

Marcus 16:15,16; Hand.3:38; Hand.22:16; Joh.3:5; Titus 3:5; 1 Petr.3:21; Gal.3:27

Bespreking van deze teksten:

Mark.16:15,16 Hier wordt niet gesproken over een oorzakelijk verband tussen het niet gedoopt zijn en het verloren gaan, aleen over het niet geloven en verloren gaan.
Hand.2:38 Gezien de grondtekst is vergeving hier net zo zeer gebonden aan bekering als aan het dopen.
Hand.22:16 Hier moet men de innerlijke werkelijkheid (afwassing van zonden) niet verwarren met de uiterlijke tekenen (doop). Gewoon water kan
geen zonden wegwassen.
Joh.3:5 Gaat het hier over de doop? Het woord wordt niet uitdrukkelijk genoemd.
Titus 3:5 Het bad der wedergeboorte is niet de doop. Wedergeboorte is een geestelijk bad.
1 Petr.3:21 Hier is sprake van een tegenbeeld, d.w.z. datgene, wat staat tegenover de werkelijkheid, het eigenlijke. (Vergelijk de spiegel)
Gal.3:27 Allereerst moet men hier denken aan de Geestes doop, pas dan aan water.

De Reformatorische doopvisie.

Deze visie leert dat kinderen van gelovige ouders gedoopt behoren te worden.

De volgende teksten moeten deze stelling kracht bijzetten: Matth.19:14; Luk.1:5; Hand.2:39; Hand.10:47,48J1 1 Cor.7:12-14; Hand.16:15,33; Col.2:11,12

Zeer belangrijk bij dit standpunt is de motivatie die gegeven wordt vanuit het verbond:

  • God sloot met Abraham een verbond.
  • gelovigen zijn kinderen van Abraham.
  • het verbond geldt voor ouders en kinderen.
  • teken voor het oude verbond is de besnijdenis; voor het nieuwe verbond de doop.

Bespreking van de teksten:

Matth.19:14 Hier wordt niet uitdrukkelijk over de doop gesproken.
Luk.1:5 Ook deze tekst spreekt niet over de doop.
Hand.2:39 Er wordt hier gesproken over personen die de Heer zal roepen. Er klinkt een oproep tot bekering. Huw kinderen” kan beter verstaan
worden als uw nageslacht. Maar om hier het besprengen van zuigelingen uit te verklaren, lijkt mij een spitsvondigheid.
Hand.10:47 Men neemt aan dat hier ook wel kinderen bij geweest zijn, die gedoopt werden. Het staat er echter niet. Het is dan ook bedenkelijk om een hele theorie te bouwen op iets wat er niet staat. Temeer daar gezegd wordt, dat allen eerst de Geest ontvingen, op geloof, alvorens
ze gedoopt werden.
1 Cor.7:12-14 Ook hier komt dopen niet voor. Er wordt ook niet gezegd dat de ongelovige man en de ongelovige kinderen behouden zijn.
Hand.16:15,33 Lydia geloofde. Zij en haar huis werden gedoopt. Het is gewaagd om daaruit de conclusie trekken dat er zuigelingen bijgeweest zijn,
die ook gedoopt werden.

T.a.v. de gevangenbewaarder wordt in vs. 34 gezegd, dat niet alleen hij, maar allen tot geloof gekomen waren. Dat persoonlijke geloof kon bij zuigelingen niet aanwezig zijn.

Col.2:11,12 Deze tekst spreekt van de besnijdenis van het hart, d.w.z. een geestelijke realiteit. Hier is noch een voorbeeld, noch een gebod van kinderdoop.

Genesis 5

Van Adam tot Noach

Gen 5:1 Dit is het boek van Adams geslacht. Ten dage als God den mens schiep, maakte Hij hem anaar de gelijkenis Gods.

a) Gen 1:26 En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
Gen 9:6 Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt.
1Co 11:7 Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans.

Gen 5:2 bMan en vrouw schiep Hij hen, en zegende ze, en noemde hun naam Mens, ten dage als zij geschapen werden.

b) Gen 1:26 En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
Mat 19:4 Doch Hij, antwoordende, zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, Die van den beginne den mens gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw?
Mar 10:6 Maar van het begin der schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt.

Gen 5:3 En Adam leefde honderd en dertig jaren, en gewon een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth.
Gen 5:4 En Adams dagen, cnadat hij Seth gewonnen had, zijn geweest achthonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

c) 1Kr 1:1 Adam, Seth, Enos,

Gen 5:5 Zo waren al de dagen van Adam, die hij leefde, negenhonderd jaren, en dertig jaren; en hij stierf.
Gen 5:6 En Seth leefde honderd en vijf jaren, den hij gewon Enos.

d) Gen 4:26 En denzelven Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men den Naam des HEEREN aan te roepen.

Gen 5:7 En Seth leefde, nadat hij Enos gewonnen had, achthonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
Gen 5:8 Zo waren al de dagen van Seth negenhonderd en twaalf jaren; en hij stierf.
Gen 5:9 En Enos leefde negentig jaren, en hij gewon eKenan.

e) 1Kr 1:2 Kenan, Mahalal-el, Jered,

Gen 5:10 En Enos leefde, nadat hij Kenan gewonnen had, achthonderd en vijftien jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
Gen 5:11 Zo waren al de dagen van Enos negenhonderd en vijf jaren; en hij stierf.
Gen 5:12 En Kenan leefde zeventig jaren, en hij gewon Mahalal-el.
Gen 5:13 En Kenan leefde, nadat hij Mahalal-el gewonnen had, achthonderd en veertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
Gen 5:14 Zo waren al de dagen van Kenan negenhonderd en tien jaren; en hij stierf.
Gen 5:15 En Mahalal-el leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Jered.
Gen 5:16 En Mahalal-el leefde, nadat hij Jered gewonnen had, achthonderd en dertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
Gen 5:17 Zo waren al de dagen van Mahalal-el achthonderd vijf en negentig jaren; en hij stierf.
Gen 5:18 En Jered leefde honderd twee en zestig jaren, en hij gewon fHenoch.

f) 1Kr 1:3 Henoch, Methusalah, Lamech,

Gen 5:19 En Jered leefde, nadat hij Henoch gewonnen had, achthonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
Gen 5:20 Zo waren al de dagen van Jered negenhonderd twee en zestig jaren; en hij stierf.
Gen 5:21 En gHenoch leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Methusalach.

g) Jud 1:14 En van dezen heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen;

Gen 5:22 En Henoch hwandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

h) Heb 11:5 Door het geloof is Enoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want voor zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij Gode behaagde.

Gen 5:23 Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijf en zestig jaren.
Gen 5:24 Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer; iwant God nam hem weg.

i) 2Ko 2:11 En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Alzo voer Elia met een onweder ten hemel.
Heb 11:5 Door het geloof is Enoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want voor zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij Gode behaagde.

Gen 5:25 En Methusalach leefde honderd zeven en tachtig jaren, en hij gewon Lamech.
Gen 5:26 En Methusalach leefde, nadat hij Lamech gewonnen had, zevenhonderd twee en tachtig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
Gen 5:27 Zo waren al de dagen van Methusalach negenhonderd negen en zestig jaren; en hij stierf.
Gen 5:28 En Lamech leefde honderd twee en tachtig jaren, en hij gewon een zoon.
Gen 5:29 En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft!
Gen 5:30 En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijfhonderd vijf en negentig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
Gen 5:31 Zo waren al de dagen van Lamech zevenhonderd zeven en zeventig jaren; en hij stierf.
Gen 5:32 En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth.

WordPress theme: Kippis 1.15